Dyslexie is een probleem waardoor mbo-studenten mogelijk niet vlot of geautomatiseerd kunnen lezen en/of niet accuraat spellen. Studenten met dyslexie hebben baat bij taal gerelateerde ondersteuning, zoals auditieve ondersteuning, wat bewezen effectief is. Ook verlenging van examentijd en ict-ondersteuning zijn mogelijk effectief. Daarnaast is aandacht voor zelfredzaamheid gewenst. Het protocol dyslexie mbo biedt concrete handreikingen voor de begeleiding van studenten met dyslexie.
Er bestaat een sterke indicatie dat het werken met authentieke taaltaken in een beroepsgerichte context leidt tot grotere leeropbrengsten dan traditioneel, apart geprogrammeerd onderwijs. Theoretisch gezien hebben authentieke leertaken een voordeel wanneer ze holistisch van aard zijn, betekenisvol en leerlingen voldoende ondersteuning krijgen.
Geactualiseerd: 23 september 2023
Formele spellinginstructie zorgt voor betere spellingresultaten dan meer informele instructie. Daarbij is het belangrijk om regelmatigheden in spelling expliciet te maken en één spellingregel tegelijk uit te leggen. Ook moeten leerlingen de toepassing van een spellingregel zolang inoefenen tot ze deze echt beheersen. Leerlingen meer zelfstandigheid geven kan ook positieve resultaten opleveren wanneer zij vooraf expliciete instructie krijgen over wat ze moeten doen. Spellingwerk direct na de opdracht door leerlingen zelf laten nakijken, leidt eveneens tot positieve resultaten.
Kennis van een moderne vreemde taal kan bij tieners een zowel een positieve als een negatieve invloed hebben op het leren van een nieuwe vreemde taal. Op luister- en leesvaardigheid kan er sprake zijn van een positieve invloed, maar op woord- en zinsniveau kan er sprake zijn van een negatieve invloed bij het leren van een andere moderne vreemde taal. Die invloed hangt onder meer af van overeenkomst tussen de talen, de taalvaardigheid in de eerste vreemde taal en de mate van gebruik van de eerste vreemde taal. Bij een schriftelijke vertaaltaak schakelen leerlingen niet-relevante talen uit.
Bij zinsontleding gaat het om herkennen en benoemen van elementen uit een zin: onderwerp, lijdend voorwerp, persoonsvorm, aanwijzend voornaamwoord, e.d. Veel scholen voor voortgezet onderwijs voelen zich genoodzaakt om hun leerlingen in de onderbouw uitvoerig zinsontleding en spelling aan te bieden, omdat hogescholen dat vaak bij taaltoetsen vragen. Onderzoek laat echter nauwelijks effecten zien van traditionele zinsontleding op vaardigheden als begrijpend lezen, spelling of schrijven.
Voor het aanleren van deelvaardigheden als woordenschat en grammatica lijkt het effectief deze te verwerven met tussenpozen. Holistische taalvaardigheden als spreken en luisteren hebben waarschijnlijk meer kans van slagen bij een intensieve programmering. Het is dan wel noodzakelijk de student goed te ondersteunen.
Geactualiseerd: 3 februari 2023
Veel leerlingen met leesproblemen hebben ook moeite met schrijven, vooral leerlingen met dyslexie. Gecombineerde schrijf- en leesproblemen waar leerlingen mee kampen, kunnen liggen aan cognitieve en didactische factoren, zoals niet goed en/of niet snel kunnen koppelen van een klank aan een letter. Of aan motorische factoren, bijvoorbeeld de schrijfbeweging niet goed of snel kunnen uitvoeren. Er is geen direct oorzakelijk verband tussen motorische handschriftproblemen en leesproblemen.
Verwerving van de omgevingstaal is cruciaal voor nieuwkomers. Wat voorspelt hoe kinderen de nieuwe taal leren? Hierbij zijn kindfactoren, omgevingsfactoren, en de interactie tussen die twee van belang. Voorspellende kindfactoren zijn bijvoorbeeld taalaanleg en de eventuele aanwezigheid van trauma, en beschermende factoren (zoals het hebben van goede zelfregulatievaardigheden en een positief zelfbeeld). De belangrijkste omgevingsfactoren zijn de hoeveelheid en kwaliteit van het taalaanbod. Een rijk taalaanbod (in de eerste en in de tweede taal), afgestemd op de vaardigheden van het kind, en veel mogelijkheid tot interactie, zijn bevorderlijk voor de tweede-taalontwikkeling.
In de groepen 4-8 op de basisschool versterken woordenschatontwikkeling en begrijpend lezen elkaar. Bevorderen van leesvaardigheid en investeren in begrijpend lezen verhogen het woordenschatniveau bij leerlingen. Dat geldt eveneens voor het geven van hints om betekenissen van nieuwe woorden in teksten af te leiden.
NT2-onderwijs aan leerlingen in het s(b)o vraagt niet per se om een andere aanpak of aangepaste doelstellingen. S(b)o leerlingen zijn net als leerlingen in het regulier onderwijs in staat om een tweede taal te verwerven, indien er randvoorwaarden zijn, zoals extra tijd en herhaling. Daarbij is het belangrijk dat leerkrachten expertise opdoen of bundelen in het aanleren van een tweede taal en kennis nemen van de culturele achtergrond van de leerling.