Dit is de tekst: Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag.
Op jongere leeftijd dragen taalprogramma’s in de voorschool met een uitgebreid gebruik van woorden bij aan de woordenschat van kinderen. Ook het (thuis) voorlezen voordat een kind naar school gaat, heeft een positieve invloed op de woordenschatgroei.
De woordenschat bestaat uit het totaal aantal woorden dat een persoon kent. Bij woorden die iemand zelf gebruikt spreken we van een actieve woordenschat. Woorden die iemand wel begrijpt maar niet gebruikt, vallen onder receptieve woordenschat. Het woordenschatniveau van basisschoolleerlingen hangt onder andere samen met de thuistaal en met de vaardigheid in begrijpend lezen. De sterkste groei in woordenschat vindt plaats tussen 7 en 13 jaar, met een piek rond het achtste, negende jaar. De relatie tussen de thuissituatie en de woordenschatontwikkeling kan al op jonge leeftijd worden aangetoond. De oudste peuters, kinderen uit gezinnen met een hogere sociaal-economische status en kinderen met Nederlands als thuistaal hebben een grotere woordenschat dan andere kinderen in de voorschoolse leeftijd.
Een kind dat op school komt, gebruikt 1600 tot 2000 woorden actief. Deze woorden horen bij de basiswoordenschat, die zich verder ontwikkelt tot de zesduizend meest gebruikte woorden. Veel van deze woorden worden mondeling geleerd, bijvoorbeeld in gesprekken thuis, in vve-programma’s en in de dagelijkse omgang op school. Na de veelgebruikte woorden leren kinderen minder gangbare woorden zoals die voorkomen in zaakvakken en schooltaalwoorden. Om deze woorden te leren is instructie en training nodig, omdat deze woorden in spontane gesprekken nauwelijks voorkomen. Een kind eind groep 8 herkent en begrijpt ten minste 17.000 woorden, ongeveer een kwart van het vocabulaire van volwassenen.
Begrijpend lezen
De ontwikkeling van woordenschat en de vaardigheid in begrijpend lezen hangen sterk samen en nemen toe in de loop van het basisonderwijs. Op jonge leeftijd is veel of weinig lezen een sterke voorspeller van de woordenschatontwikkeling, ondanks individuele verschillen in leesvaardigheid, bestaande woordenschat en algemeen cognitief functioneren. De vaardigheid in begrijpend lezen wordt gestimuleerd door zelf te lezen, en door voorlezen.
Van de peuters en kleuters aan wie is voorgelezen, heeft bijna zeventig procent een voldoende woordenschat om een goede start te kunnen maken op school. Daartegenover staat de groep peuters en kleuters aan wie niet is voorgelezen. Van hen heeft iets meer dan dertig procent een voldoende woordenschat bij het begin van de schoolcarrière. In de midden- en bovenbouw hangt de overgang van een mondelinge basiswoordenschat naar een meer gevorderde woordenschat eveneens sterk af van de leesvaardigheid van leerlingen. De beïnvloeding is wederkerig: de mondelinge basiswoordenschat stimuleren een vroege leesvaardigheid, die op haar beurt de gevorderde woordenschatontwikkeling positief beïnvloedt. Een goed begrip van de tekst zorgt dus voor een groei van de woordenschat.
Leerlingen zijn in staat om woordbetekenissen af te leiden uit de context. Die vaardigheid om onbekende woorden betekenis te geven, neemt toe met de leeftijd. Door instructie kan dit incidentele leren worden versterkt. Daarbij is aandacht voor specifieke tekstaanwijzingen het effectiefst. Het gaat dan om het geven van hints in de vorm van het zoeken van woorden met dezelfde of tegenovergestelde betekenis of andere woorden die helpen bij het afleiden van de woordbetekenis. Strategie-instructie waarbij leerlingen volgens een aantal vaste stappen woordbetekenissen moeten afleiden, levert wisselende effecten op. Het benutten van voorkennis en lezen om te leren leiden eveneens tot een grotere woordenschat, net als aandacht voor specifiek taalgebruik in schoolsituaties.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan José van der Hoeven (kennismakelaar). Zij heeft hiertoe dr. Jacqueline Evers-Vermeul (Universiteit Utrecht) geconsulteerd.