Aanleg, de thuissituatie, de school en de neuropsychologische ontwikkeling van de leerling spelen een rol bij onderpresteren. Om presteren onder een verwacht niveau in het algemeen te kunnen verklaren, is er echter nog onvoldoende duidelijk. Er is evenmin helderheid over de relatie tussen onderpresteren en gedragsproblemen. Een vroege aanpak-op-maat ligt evenwel voor de hand. Scholen en docenten bieden leerlingen dan een veilige omgeving en structuur. Docenten gaan empathisch met de leerlingen om, waarbij het welbevinden van de leerlingen extra aandacht verdient, ook van de meisjes.
Didactische strategieën waarbij de docent het schoolvak verbindt met de buitenwereld verhogen het begrip van concepten in de bètavakken het meest. Ook van samenwerken in groepjes leren leerlingen veel. Er zijn echter grote individuele verschillen tussen leerlingen. Het leren begrijpen van natuurwetenschappelijke concepten verloopt zeer uiteenlopend, zeker als leerlingen al een eigen – (deels) onjuist – begrip van een onderwerp hebben. Om hun eigen ideeën bij te stellen, moeten ze een cognitief conflict ervaren; echt zien dat het anders zit.
Leraren kunnen verschillende strategieën gebruiken om hun emoties te hanteren. Een emotionele situatie herwaarderen in niet-emotionele termen kan bijvoorbeeld helpen. Leren omgaan met emoties door ze te tonen, is ook effectief. Voorts helpt het als de leraren binnen een school het eens zijn over gewenst leerlinggedrag. Er bestaan verschillende instrumenten en trainingen gericht op het herkennen en vervolgens reguleren van stress en emoties. Over de effectiviteit van deze instrumenten is geen informatie gevonden.
Er is onvoldoende empirisch bewijs voor het effect van de Shuttle Run test op de fitheid van leerlingen. Wel zijn er factoren die prestaties op de Shuttle Run test beïnvloeden, zoals overgewicht en vertrouwen in eigen kunnen. Leerlingen kunnen worden gemotiveerd voor de test door hen te laten focussen op het verbeteren van de eigen fitheid en vaardigheden in plaats van op de prestatie.
Meisjes die meisjesonderwijs volgen denken positiever over bèta/techniekvakken en presteren vaak beter op deze vakken. Dit heeft echter te maken met de kenmerken van de meisjes zelf. Het effect van meisjesonderwijs in vergelijking met gemengd onderwijs is verwaarloosbaar. Of meisjesklassen helpen om meer meisjes in techniekonderwijs te laten instromen is nauwelijks onderzocht. Naar het verminderen van uitval van meisjes in techniekopleidingen is geen onderzoek beschikbaar: de groep meisjes is te klein is om langere tijd te volgen.
Woordlabels kunnen deel uitmaken van een tekstrijke omgeving voor leerlingen in groep 1 en 2. Hoewel er geen onderzoek is naar de effecten van het labelen van voorwerpen, is wel bekend dat tekstrijke omgevingen taalontwikkeling bevorderen. Belangrijk daarbij is dat tekst betekenisvol is en dat leerkrachten kinderen betrekken in het gebruik van deze teksten, bijvoorbeeld in spel. Ook moeten leerkrachten hun klaslokaal bewust inrichten; een teveel aan (visuele) prikkels kan afleidend werken.
Geactualiseerd: 20 april 2023
Het maakt waarschijnlijk weinig uit of kolomsgewijs rekenen wel of niet als tussenstap tussen hoofdrekenen en cijferen aan leerlingen wordt aangeboden. De methode waarmee het rekenen wordt aangeleerd heeft weinig invloed op de prestaties. Andere factoren zijn belangrijker.
Het programma Filosoferen met Kinderen (P4C) heeft een bescheiden effect op de cognitieve vaardigheden buiten de context van het filosoferen. Er zijn meer effecten op lezen, rekenen en meer basale vormen van redeneren dan op hogere denkvaardigheden, al is daar ook enig bewijs voor. Negatieve cognitieve effecten worden nooit gevonden. Hoewel P4C is bedoeld voor basisschoolleerlingen en filosoferen iets anders is dan het vak filosofie volgen in het voortgezet onderwijs, zijn deze resultaten toch relevant.
Escalerend leerlinggedrag kan worden voorkomen of verminderd door gerichte interventies van de leraar. Bijvoorbeeld door een time-out, het tijdelijk de klas uitsturen van een leerling. De leraar moet in dat geval kunnen vertrouwen op een deskundige collega, een achterwacht, die de leerling opvangt en tot rust brengt. Deze ondersteuning vereist verbale en non-verbale vaardigheden, alsmede zelfbeheersing, empathie en inzet van lichaamstaal. Over het effect van de achterwacht op scholen is weinig bekend.
Basisschoolleerkrachten kunnen leerlingen die het Nederlands niet goed beheersen op verschillende manieren bij de reguliere zaakvaklessen betrekken. Bijvoorbeeld door hen voorafgaand aan de les de belangrijkste woorden te leren. Ook kan de leerkracht de uitleg in het Nederlands geven, de lesstof versimpelen en moeilijk lesmateriaal overslaan. Leerlingen kunnen antwoorden in het Engels of in hun moedertaal en dat antwoord naar het Nederlands vertalen.