Welke docentinterventies bevorderen het studiesucces van onderpresterende jongens (en meisjes) in de onderbouw van het voortgezet onderwijs?

Aanleg, de thuissituatie, de school en de neuropsychologische ontwikkeling van de leerling spelen een rol bij onderpresteren. Om presteren onder een verwacht niveau in het algemeen te kunnen verklaren, is er echter nog onvoldoende duidelijk. Er is evenmin helderheid over de relatie tussen onderpresteren en gedragsproblemen. Een vroege aanpak-op-maat ligt evenwel voor de hand. Scholen en docenten bieden leerlingen dan een veilige omgeving en structuur. Docenten gaan empathisch met de leerlingen om, waarbij het welbevinden van de leerlingen extra aandacht verdient, ook van de meisjes.

Gepubliceerd:

Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag. 

Iedere docent kent leerlingen waarvan hij vermoedt dat hun prestaties achterblijven bij wat ze op grond van hun intellectuele vermogens zouden moeten kunnen. Onderpresterende leerlingen zitten veelal niet goed in hun vel. Hun emotioneel welbevinden is laag, ze hebben aandachtsproblemen, minder zelfcontrole en gebrekkige zelfmonitoring. Onderpresteren leidt vaak tot probleemgedrag en ordeverstoring in de klas, vooral door jongens in de onderbouw. Deze jongens hebben moeite om zich te concentreren en te focussen, om samen te werken en om emoties onder woorden te brengen.

Jongens en meisjes

Naast verschillen in ontwikkelingsniveau bij jongens en meisjes – meisjes liggen voor op jongens – vertonen de seksen een andere werkhouding en sociaal gedrag. Zelf geven jongens aan emotioneel stabieler te zijn dan meisjes en meer zelfvertrouwen te hebben. Meisjes ervaren meer druk en zijn gevoeliger voor feedback dan jongens. Ze ontwikkelen sneller negatieve gedachten en gevoelens. Ze piekeren meer en dit heeft een negatief effect op schoolprestaties omdat het werkgeheugen overbelast raakt. Onderpresterende meisjes worden nogal eens over het hoofd gezien, terwijl ze baat hebben bij aandacht voor hun welbevinden.

Jongens hebben meer behoefte aan bewegen, vertonen vaker impulsief gedrag en leren meer door trial-and-error. Ze kunnen in korte tijd heel boos worden, enorm gevoelig zijn voor groepsdruk en (over)gevoelig zijn voor emoties. Met negatieve signalen uit de omgeving kunnen ze minder goed overweg. Ze hebben moeite met plannen, vooruitkijken en overzien van de consequenties. Jongens hebben meer behoefte aan bevestiging, begrenzing en structuur.

Interventies

Het is lastig om uitspraken te doen over ’wat werkt’ en waarom. Het is namelijk niet duidelijk hoe leer- en gedragsproblemen bij onderpresteerders nu precies ontstaan. Wat wel vaststaat, is dat emotioneel welbevinden van de leerlingen en de wijze waarop zij omgaan met probleem- en stresssituaties een belangrijke rol spelen. Het kan helpen om neurocognitieve functies te trainen, bijvoorbeeld zelfcontrole, zelfmonitoring en focussen. In elk geval is het van belang om probleemsignalen vroegtijdig te onderkennen en structuur en passende emotionele steun en begeleiding te bieden.

Voor de groep hoogbegaafde onderpresteerders – en dat zijn er nogal wat – kan verrijking, verdieping, verdichting of versnelling van de leerstof uitkomst bieden. Een aangepast aanbod van de leerstof heeft een positief effect op de motivatie en de prestaties. Het samenstellen van plusgroepen kan werkhouding, motivatie, zelfvertrouwen en plezier verhogen. Er is echter geen 'magische remedie' die het probleem van onderpresteren bij hoogbegaafdheid kan oplossen. Juist omdat onderpresteren zo’n complex fenomeen is, zal er nooit een enkele interventie zijn die in alle situaties helpt.

Versterken groeimindset

Een recente interventie is het versterken van de groeimindset van leerlingen, in plaats van de statische mindset. Bij een statische mindset hoort de overtuiging dat iemands intelligentie, persoonlijkheid en karakter vaststaande gegevens zijn. De groeimindset gaat uit van het geloof dat je je basiskwaliteiten kunt ontwikkelen door er moeite voor te doen. Leerlingen zouden hun prestaties dan meer gaan toeschrijven aan inzet, in plaats van niet-veranderbare talenten. Deze andere mindset zou een positieve invloed hebben op motivatie en leerprestaties. Al is er onvoldoende hard bewijs dat mindset-interventies helpen om prestaties van leerlingen te verbeteren, er zijn al wel veelbelovende resultaten te zien bij studenten die laag presteren.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Christa Teurlings (Kennismakelaar Kennisrotonde).


Ga je het antwoord gebruiken in het onderwijs?
Wat vind je van de leesbaarheid van het antwoord?

Privacyverklaring

Wij gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens. Lees hierover meer in onze privacyverklaring.

Gerelateerde vragen

    Een aanzienlijk deel van de hoogbegaafde leerlingen presteert lager dan verwacht mag worden op basis van de intelligentie. Schattingen variëren van 15% tot 50%, afhankelijk van de definitie van onderpresteren. Onderpresteren bij hoogbegaafde leerlingen is al waarneembaar vanaf groep 2. In de hogere groepen neemt het onderpresteren toe. Om het onderwijs af te stemmen op hoogbegaafden is vroegtijdige onderkenning belangrijk. Naast organisatorische en inhoudelijke afstemming van het onderwijs is individuele begeleiding (mentoring) gewenst.

    Lees meer

    Geactualiseerd: 28 juni 2024

    Aparte activiteiten voor hoogbegaafde leerlingen hebben meestal een positief effect op hun prestaties. Niet voor alle domeinen en vakken leiden aanpassingen echter tot een verbetering. Goed onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen, en eigenlijk voor alle leerlingen, vraagt naast een focus op cognitieve prestaties ook om de juiste begeleiding en leraren met expertise op dit terrein. De benodigde begeleiding hangt af van de beginsituatie van de leerling. Onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen begint idealiter met het in kaart brengen van de cognitieve, sociaal-emotionele, en ontwikkel- en leervaardigheden. Als het onderwijs qua inhoud, organisatie en pedagogisch-didactische begeleiding hierbij aansluit, zijn (hoogbegaafde) leerlingen het best geholpen.

    Lees meer