Leerlingen zijn vanaf groep 4 in staat om hun spelling zelf na te kijken. Ze moeten hierbij wel structurele ondersteuning krijgen van bijvoorbeeld nakijkbladen of rubrics. Met name werken met rubrics zet aan tot actieve reflectie op de eigen spelling en spellingregels. Dit draagt bij aan een groter spellingbewustzijn en diepere verwerking van de regels, wat weer een positief effect heeft op de spellingvaardigheid van leerlingen. Om spellingvaardigheden op de langere termijn te verbeteren is een korte interventie niet altijd genoeg en lijkt ook structurelere aandacht voor spelling nodig.
Tussen het startmoment van Engels onderwijs en de Engelse taalvaardigheid van leerlingen aan het eind van het basisonderwijs bestaat geen samenhang. Als er al positieve effecten zijn van vroeg beginnen, dan lijken die op de lange termijn te verdwijnen. Meer dan het startmoment speelt het onderwijsaanbod op school en de thuisomgeving een rol in de Engelse taalvaardigheid van leerlingen.
Het is niet bekend of aandacht voor de schrijfwijze van cijfers in groep 1-2 bijdraagt aan de schrijfvaardigheid van cijfers in groep 3. Met name de coördinatie van de fijne motorische bewegingen en de visueel-motorische integratie zijn belangrijke voorwaarden om cijfersymbolen correct te kunnen schrijven. Methoden om de fijne motoriek te verbeteren dragen het meeste bij aan voorbereidend schrijven als deze taakspecifiek zijn.
Een verhaal vertellen is taalkundig en cognitief complex. Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis kunnen achterlopen op verschillende aspecten van vertelvaardigheid. Er zijn aanwijzingen dat het helpt als de leerkracht het goede voorbeeld geeft (modelleren), kinderen laat oefenen en hun visuele ondersteuning geeft. Hoe vaak en hoe lang leerlingen moeten oefenen, weten we niet precies.
Leerlingen die extra aandacht nodig hebben, moeten in de eerste plaats worden begeleid door de leraar. Ondersteunend personeel kan het werk van de leraar intussen aanvullen, maar niet vervangen. Zij kunnen leerlingen begeleiden met bewezen effectieve interventies. Een duidelijke rolverdeling tussen leraar en ondersteuner bevordert het succes.
Leraren die zelf lezen in hun vrije tijd, zijn actievere leesbevorderaars. Ze praten meer over boeken, kunnen hun leerlingen beter adviseren en zijn een positief rolmodel. Hun leerlingen hebben meer plezier in lezen en lezen ook vaker. Leraren ervaren interventies met het doel het leesplezier en de gewoonte om te lezen te bevorderen als zinvol.
De getallenlijn is een kansrijk hulpmiddel om leerlingen te stimuleren de verschillende strategieën voor optellen en aftrekken tot honderd flexibel te gebruiken. Het helpt leerlingen om de stappen binnen de rekenstrategieën beter te visualiseren en de relaties tussen getallen inzichtelijk te maken. De effectiviteit van de getallenlijn hangt sterk af van de didactisch inzet.
Welke didactische aanpak mbo-studenten helpt om kantoortoepassingen als Word en Excel te leren gebruiken is niet specifiek onderzocht. Leertheorieën zoals de cognitive load theory en kleinschalige experimenten bieden enige handvatten: begin met eenvoudige software, werk met verhalen die aansluiten bij de leefwereld van studenten en verminder geleidelijk de ondersteuning.
Specifiek naar de preventie en aanpak van meidenvenijn is geen onderzoek gedaan. Leerkrachten kunnen meidenvenijn wel inzichtelijk maken met monitors voor sociale veiligheid op school. Om het te voorkomen en aan te pakken, kunnen zij programma’s inzetten met bewezen effectieve elementen tegen pesten in het algemeen.
De hoeveelheid anderstalige leerlingen in de klas lijkt nauwelijks nadelige gevolgen te hebben voor de taalontwikkeling van leerlingen in het basisonderwijs. Het gebruik van thuistalen in de klas kan juist positieve effecten hebben op de spelling voor Nederlandstalige leerlingen. Thuistalen gebruiken vergroot bovendien het welbevinden en de betrokkenheid van alle leerlingen in de klas.