Onder mbo-studenten niveau 1 en 2 is veelal sprake van complexe, meervoudige problematiek. Vaak kampen zij met een opeenstapeling van kwesties als leerachterstanden, persoonlijke problemen, gedragsproblematiek en een instabiele thuissituatie. Dit heeft gevolgen voor hun aanwezigheid en gedrag in de klas. Lesgeven aan mbo-studenten niveau 1 en 2 vraagt van docenten maatwerk, specifieke pedagogische competenties en bijbehorende begeleidingsstrategieën.
Pedagogisch handelen en klassenmanagement
Docenten kunnen verschillende strategieën inzetten om ordeverstorend gedrag van leerlingen in een groep te verminderen. Het directe effect van afzonderlijke strategieën op leerprestaties is niet onderzocht. Wel zijn er aanwijzingen dat in groepen waar docenten effectieve klassenmanagementtechnieken toepassen, de prestaties van leerlingen beter zijn dan die van leerlingen in groepen waar geen effectief klassenmanagement plaatsvindt.
Docenten die voorlichting en training krijgen over pedagogisch handelen en klassenmanagement maken beter gebruik van deze technieken dan hun ongetrainde collega’s. Dat kan leiden tot veranderingen in het gedrag van de leerlingen en tot hogere leerprestaties. Ook verstoren leerlingen van getrainde docenten minder vaak de orde en vertonen ze meer betrokkenheid bij de les.
Vier effectieve soorten pedagogische strategieën
Er zijn vier soorten pedagogische strategieën te onderscheiden, die zorgen voor een afname van het aantal ordeverstoringen in de klas.
Het opstellen, invoeren en toezien op de naleving van regels en routines in de klas
Deze strategiesoort omvat het algemeen gedrag in de klas, begin en einde van de les, gebruik van materialen, zelfstandig werken en groepswerk, en door de docent geleide activiteiten. Regels en routines die in overleg met leerlingen zijn ontworpen, hebben het grootste effect.
Het omgaan met ordeverstorend gedrag
De docent zoekt hier naar een balans tussen negatieve consequenties bij ongewenst gedrag van leerlingen en positieve consequenties bij gewenst gedrag. Belangrijk is om duidelijke grenzen voor ongewenst gedrag te bepalen.
De relatie tussen docent en leerlingen
Als de relatie tussen de docent en de leerlingen goed is, zijn leerlingen eerder geneigd regels en routines op te volgen en ordemaatregelen te accepteren. Ook hier zoekt de docent naar een balans: tussen duidelijke doelen stellen voor onderwijsinhoud en gedrag, en rekening houden met de behoeften en meningen van leerlingen.
De mentale instelling van de docent
Hier gaat het om strategieën om de alertheid te verhogen. Dat wil zeggen: het vermogen van de docent om gedragsproblemen tijdig te herkennen en op het juiste moment in te grijpen. De docent is bovendien in staat om op een zakelijke en afstandelijke manier met leerlingen om te gaan en emotionele uitersten, zoals woede, frustratie of aarzeling, te vermijden. Van de vier soorten strategieën heeft de mentale houding van de docent het grootste effect op de daling van ordeverstoringen, vooral door alertheid.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Marloes de Lange (kennismakelaar Kennisrotonde).