Een essentieel kenmerk van gepersonaliseerd onderwijs is dat het leren zoveel mogelijk is afgestemd op verschillen tussen individuele leerlingen. Te denken valt aan vergaande differentiatie, ict-ondersteuning, individuele leerroutes, eigenaarschap en vraagsturing.
Regie en belang
Gepersonaliseerd onderwijs valt in twee dimensies te omschrijven: regie van het leren en belang van het leren. De eerste dimensie gaat over de mate van regie op het leren van de leerling. Ligt die vooral bij de leerling zelf, of bij de leerkracht of de methode? De tweede dimensie betreft de verhouding tussen het individuele en collectieve belang van het onderwijs. De uitersten hier zijn ‘gericht op individuele doelen en behoeften’ versus ‘gericht op socialisatie en kwalificatie’.
Bij klassikaal onderwijs bijvoorbeeld ligt de regie op het leren bij de leerkracht en staat het collectieve aspect van het leren centraal. Diametraal daartegenover staan persoonlijke leerroutes. Daar staan individuele leerdoelen centraal en hebben leerlingen zelf de regie over hun leerproces.
Nadruk op individuele leerlijnen vergt veel van de leerkracht
Onderzoek naar gepersonaliseerd leren in het primair onderwijs laat (zwak) positieve effecten zien. In elk geval op rekenprestaties en op leesprestaties. Deze resultaten gaan eveneens op voor leerlingen uit lagere sociale milieus, zolang de nadruk op individuele leerlijnen ligt en niet zozeer op eigen regie van leerlingen.
De nadruk op individuele leerlijnen en groepsdifferentiatie stelt hoge eisen aan leerkrachten. Het vergt meer organisatie en meer monitoringactiviteiten, zodat er minder tijd over is voor hoogwaardige pedagogisch-didactische interactie. Mogelijk is deze werkwijze alleen effectief als leerlingen vaardig zijn in richting geven aan hun eigen leerproces. Leerlingen moeten dus over voldoende metacognitieve en zelfregulerende vaardigheden beschikken.
Nadruk op zelfregie brengt risico’s voor achterstandsleerlingen met zich mee
Leerlingen van lager opgeleide ouders beschikken over minder zelfregulerende vaardigheden en executieve functies dan leerlingen van hoger opgeleide ouders. Leerkrachten zijn van mening dat leerlingen van lager opgeleide ouders meer moeite hebben met huiswerk plannen, nieuwe taken oppakken en nieuwe procedures uitvoeren. Leerlingen van hoger opgeleide ouders krijgen van huis uit al een breder scala aan executieve functies en zelfregulerende vaardigheden mee.
Achterstandsleerlingen, waarvan de ouders veelal lager opgeleid zijn, lopen dus risico’s op leerachterstanden wanneer gepersonaliseerd onderwijs zodanig wordt ingevuld dat leerlingen zelf regie voeren op hun leerproces. Voor deze leerlingen ligt op de korte termijn individuele instructie of differentiatie meer voor de hand. Uiteraard kunnen achterstandsleerlingen zelfregulerende en metacognitieve vaardigheden aanleren. Daar hebben zij waarschijnlijk op de langere termijn in hun schoolloopbaan ook profijt van.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Sjerp van der Ploeg (kennismakelaar Kennisrotonde).