Crosscutting concepts (CCC’s) zijn karakteristieke denkwijzen binnen wetenschappelijke disciplines. Het zijn manieren om naar de werkelijkheid te kijken, daarmee om te gaan en er vragen over te stellen. Crosscutting concepts komen ook voor in de bètavakken. Voorbeelden van de denkwijzen zijn systeem(denken), patronen, oorzaak en gevolg, en stabiliteit en verandering. In Nederlandse examenprogramma’s havo-vwo van scheikunde en biologie zie je enkele crosscutting concepts terugkomen, zoals vorm-functie-denken en redeneren over systemen, verandering en energie.
Crosscutting concepts hebben mogelijk voordelen voor leerlingen en docenten
Veronderstelde voordelen van crosscutting concepts zijn dat leerlingen de kennis uit een vak beter met kennis uit dat ene vak of uit andere vakken kunnen verbinden. Ze kunnen denkwijzen verwerven die ze bewust in andere situaties kunnen inzetten. Daarnaast kunnen ook docenten er voordeel bij hebben: zij krijgen voor zichzelf een breed beeld van het onderwerp en kunnen zodoende hun lessen beter voorbereiden.
Crosscutting concepts gericht op hogere denkvaardigheden
Crosscutting concepts zijn met name gericht op hogere denkvaardigheden. Leerlingen moeten niet alleen meer, bredere of diepere vakinhoudelijke kennis en vaardigheden opdoen, maar ook de verschillende vakinhoudelijke kenniseenheden met elkaar verbinden om nieuwe problemen te kunnen oplossen. Juist dát typeert het hogere denken.
Hoe docenten crosscutting concepts kunnen expliciteren hangt samen met de functie die ze hebben. Een paar voorbeelden:
- denkgereedschap: denk- of analysestappen expliciet formuleren, verduidelijken van een redenatie in de als-dan-vorm, of gegevens ordenen in tabellen of grafieken om trends te ontdekken;
- een lens: verschillende manieren van kijken naar een bepaald fenomeen expliciet benoemen, bijvoorbeeld met een vraag: wat is anders als je observeert op een kleiner of groter schaalniveau;
- een brug: de samenhang tussen concepten binnen een vak of tussen verschillende vakgebieden duidelijk maken, bijvoorbeeld laten zien en herkennen dat materie- en energietransport in verschillende opdrachten of bij vakken hetzelfde werken;
- een spelregel: leerlingen kennis laten maken met normen en waarden binnen de wetenschap, bijvoorbeeld dat correlatie niet hetzelfde is als causaliteit.
Omdat de methoden van expliciete directe instructie (EDI) effectief zijn, nemen wetenschappers aan dat expliciete aandacht voor Crosscutting concepts ook bijdraagt aan de ontwikkeling van hogere orde denkvaardigheden. Ook voor de bètavakken wordt aangenomen dat dit werkt.
Toch is er maar weinig gedegen effectonderzoek naar uitgevoerd. Er is wel enig kleinschalig, kwalitatief en praktijkgericht onderzoek dat meestal over de onderbouw gaat. Maar al met al is het niet mogelijk om empirische onderbouwde uitspraken te kunnen doen over het effect van Crosscutting concepts op de leerprestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs.
Aanwijzingen dat expliciete aandacht voor Crosscutting concepts zinvol is
Toch laten de kleinschalige studies bemoedigende resultaten zien doordat ze wijzen op het effect van het expliciteren van denkwijzen in het algemeen. Daaruit is af te leiden dat Crosscutting concepts gekoppeld aan vakinhoudelijke concepten of werkwijzen in praktijkcontexten zinvol kunnen zijn. Met name in de onderbouw blijken Crosscutting concepts te helpen om kennis te organiseren of om te begrijpen hoe deze kennis tot stand is gekomen. Verder kunnen docenten het denken in Crosscutting concepts stimuleren door ondersteunende vragen te stellen in de les. Dat helpt leerlingen om de hogere orde denkvaardigheden daadwerkelijk in te zetten.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Martin Vos (antwoordspecialist) en Christa Teurlings (kennismakelaar Kennisrotonde). Zij hebben hiertoe Joost van Vijfeijken (expert systeemdenken) geconsulteerd.