Leerlingen die achterblijven in mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid – ten opzichte van een gemiddelde leerling– worden aangeduid als taalzwak. Leerlingen met een migratieachtergrond en leerlingen uit een laag sociaal milieu zijn vaker taalzwak. Vooral bij NT2-leerlingen neemt deze achterstand in de loop van de basisschool toe.
Woordenschat taalzwakke leerlingen moeilijk meetbaar
De Cito-LVS woordenschattoetsen zijn beperkt bruikbaar om zicht te krijgen op het taalniveau en de ontwikkeling van taalzwakke leerlingen. Dit vloeit voort uit de manier waarop de toetsen zijn geconstrueerd. Namelijk vanuit de volgende drie doelen: meten van de vaardigheid, bepalen van de progressie en signaleren van specifieke problemen.
Meten van de vaardigheid
De woordenschattoetsen meten hoe goed leerlingen woorden kennen waarvan het aannemelijk is dat ze deze zijn tegenkomen, op school en daarbuiten. Aan het eind van de basisschool zijn dat er zo’n 15.000. Alle leerlingen dienen die dan te kennen. Met behulp van deze woordenlijst maakt Cito, na zorgvuldig testen en selecteren, geschikte toetsen voor de verschillende jaargroepen.
Dat de toetsen methodeonafhankelijk zijn en een breed beeld van de woordenschat geven, is een beperking. De toetsen meten namelijk niet in hoeverre leerlingen profiteren van het onderwijsaanbod op school. Voor het evalueren van de effecten van het woordenschatonderwijs is een methodegebonden toets een betere optie.
Bepalen van de progressie
De woordenschattoetsen zijn vooral geschikt om de progressie te volgen van ‘gemiddelde’ leerlingen. De scores op alle toetsen, van groep 3 tot en met 8, worden uitgedrukt op dezelfde schaal. Daardoor geven de vaardigheidsscores een goed inzicht in de ontwikkeling van een leerling.
Bij de meeste taalzwakke leerlingen zijn vooral toetsen voor een lagere groep geschikt om de vaardigheidsscore te bepalen. Wanneer de leerkracht bijvoorbeeld de woordenschattoets voor groep 4 gebruikt voor taalzwakke leerlingen in groep 5, verkrijgt hij een meer betrouwbare vaardigheidsscore.
Signaleren van specifieke problemen
De woordenschattoetsen zijn ongeschikt om te signaleren welke specifieke problemen leerlingen hebben op het gebied van woordenschat. Dit geldt voor alle leerlingen. De toetsen meten hun receptieve woordenschat, zowel in de breedte als in de diepte. De toets meet de breedte van de woordenschat door te vragen naar betekenissen van woorden. De toets meet de diepte door te vragen naar betekenisrelaties tussen woorden.
Ondanks het onderscheid tussen betekenissen en betekenisrelaties in de toets, wordt de vaardigheidsscore van leerlingen berekend op basis van de toets als geheel. Met behulp van een formulier kunnen leerkrachten wel een foutanalyse maken waarin dat onderscheid wordt gemaakt, maar die biedt weinig inzicht in wat het probleem is van de leerlingen en waar ze hulp bij nodig hebben.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Ebbo Bulder (antwoordspecialist) en Anne Luc van der Vegt (kennismakelaar Kennisrotonde).