Het Directe Instructiemodel (DIM) is een veel gebruikte en effectieve, didactische methode voor instructie in het basisonderwijs. Het EDI-model is een verfijning daarvan. Hierbij stelt de leerkracht expliciet duidelijke leerdoelen die hij deelt aan het begin van de les. EDI bestaat uit 5 onderdelen:
- Het opdelen van complexe vaardigheden in kleinere segmenten;
- De aandacht van leerlingen richten op belangrijke aspecten van de leerstof door middel van modelleren en hardop denken;
- Het bevorderen van betrokkenheid door het systematisch aanbieden en afbouwen van ondersteuning;
- Leerlingen mogelijkheden geven om te reageren en feedback te ontvangen;
- Betekenisvolle oefenmogelijkheden creëren.
Kenmerken van hoogbegaafdheid
Leerlingen die hoogbegaafd zijn, hebben niet alleen een hoge intelligentie, maar ook vaak een groot doorzettingsvermogen, een hoge sensitiviteit en ze zijn perfectionistisch. Ze denken en leren effectiever en gebruiken vaker zelfregulerende leerstrategieën dan gemiddelde leerlingen. Als hoogbegaafde leerlingen onderwijs op een lager niveau of tempo krijgen, dan kunnen ze gedemotiveerd raken of zelfs gaan onderpresteren.
EDI aanpassen aan hoogbegaafde leerlingen
Volgens het EDI-model moet informatie stap voor stap worden aangeboden, bijvoorbeeld door het modelleren en het opdelen in kleinere segmenten. Het stapsgewijze werken naar een einddoel is voor hoogbegaafde leerlingen echter vaak saai, omdat zij niet zo expliciet stilstaan bij de tussenliggende stappen. Het gaat te langzaam en daardoor kunnen zij gedemotiveerd raken. Toch is het EDI-model wel bruikbaar voor deze leerlingen als de leraar tenminste goed kan differentiëren en variëren in werkvorm.
Kortere instructie en meer verrijking
Belangrijk is dat de leraar goed in kaart brengt wat een hoogbegaafde leerling al kent en kan en daarop aansluitend onderwijs aanbiedt. Bij nieuwe onderwerpen of vaardigheden kunnen hoogbegaafde leerlingen weer aansluiten bij de gewone les. Daarbij is het wel wenselijk dat zij na een korte instructie zelf aan het werk kunnen en niet te lang bij het klassikale gedeelte van de uitleg hoeven te blijven. Als dat namelijk te lang duurt, haken zij mogelijk af.
Zelfs het weglaten van de helft van de voorgeschreven leerstof heeft geen negatief effect op de leerprestaties van hoogbegaafde leerlingen. In combinatie met verrijkingsstof kan het zelfs leiden tot positievere cognitieve en sociaal-emotionele effecten.
Meer zelfstandig laten werken
Oplossingen die hoogbegaafde leerlingen laten zien, zijn vaak origineel en verschillen van wat de leerkracht voordoet. Deze leerlingen werken daarom liever zelfstandig, zodat ze door te experimenteren hun eigen oplossingen vinden. Dit bevordert ook de ontwikkeling van het probleemoplossend vermogen. Daarbij is het wel belangrijk dat de leerkracht een realistische inschatting maakt of de leerling hiertoe in staat is. Verder moeten leerlingen begeleid worden bij onderzoekend leren en onderzoeksvaardigheden ontwikkelen.
Als leraar moet je goed kunnen schakelen
Leraren die kiezen voor EDI in een klas met hoogbegaafde leerlingen moeten wel vaardig genoeg zijn om te kunnen variëren in het onderwijsaanbod. De leraar moet bijvoorbeeld goed kunnen inschatten of een leerling (verkorte) instructie nodig heeft of probleemoplossend of verdiepend met de leerstof bezig kan. De leraar kan ervoor kiezen om de leerling met meer uitdagende, abstracte onderwerpen aan de slag te laten gaan. Verder motiveert het hoogbegaafde leerlingen als ze meer vrijheid hebben in de keuze waaraan ze werken. Dat kan zowel zelfstandig als in groepsverband met andere hoogbegaafde leerlingen.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Of lees het artikel op de Kennisrotonde Differentiatie in de klas: wat werkt?
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Monique Dijks (antwoordspecialist) en Sjerp van der Ploeg (kennismakelaar).