Jongens hebben meer dan meisjes te maken met schooluitval en studievertraging. Zeker in de bovenbouw van het havo vallen veel jongens uit. Over maatregelen die specifiek jongens kunnen helpen zich meer in te spannen, is weinig bekend. Er zijn indicaties dat regelmatig en vertrouwelijk contact met een mentor jongeren kan motiveren voor school. Dat zou een licht positief effect kunnen hebben op de studieresultaten.
Met de juiste begeleiding kan werken met een weektaak de metacognitieve vaardigheden van leerlingen versterken. Wanneer leerlingen in staat zijn hun leerproces te sturen en de beschikbare tijd zo nuttig mogelijk te besteden, komt dit hun prestaties ten goede. Met een weektaak kunnen leerlingen zelfstandig en systematisch werken, en hun taken zelf plannen, prioriteren, controleren en evalueren. Ondersteuning van de leerkracht is hierbij cruciaal.
Een algoritmische aanpak (zoals ‘t kofschip) om leerlingen werkwoordspelling aan te leren, is effectief maar niet voldoende. Expliciete aandacht voor de principes van de spelling en voor de soms intuïtieve aanpak van leerlingen om tot een juiste schrijfwijze te komen, lijkt noodzakelijk. Bovendien is het zinvol om grammatica- en spellingonderwijs te integreren.
Het faciliteren van zelfsturing door leraren in de ontwikkeling van een beroepsorganisatie lijkt het veelbelovendst. Dit geldt vooral als die beroepsorganisatie een professionele oriëntatie centraal stelt, zoals bij de ontwikkeling van een professionele standaard. Belangrijk is draagvlak onder de leden te creëren en de tijd te nemen voor een brede bespreking van voorstellen.
Een deel van de kennis die leerlingen vergaren in het voortgezet onderwijs gaat verloren als ze deze niet meer gebruiken. Dat gebeurt vooral in de eerste jaren na de kennisverwerving. Een substantieel deel van de resterende kennis is zelfs na vijftig jaar nog beschikbaar, ook als deze in de tussenliggende periode niet is gebruikt. De persoon herkent of herinnert zich dan de kennis, of kan deze sneller leren dan bij de aanvankelijke verwerving. Het percentage beschikbare kennis na een bepaalde tijd is onder meer afhankelijk van de duur van het genoten onderwijs. Andere factoren zijn het behaalde kennisniveau, het schoolvak en het type kennis (passief of actief).
Geactualiseerd: oktober 2024
De duur en de intensiteit van het VVE-aanbod hebben invloed op de ontwikkeling van jonge kinderen. Zowel een langere looptijd in maanden als een structureel hoger aantal uur per dag gaan samen met een betere cognitieve ontwikkeling van kinderen. Echter, de grootste effecten worden behaald met de kwaliteit van de uitvoering, interacties en het curriculum van spel en activiteiten. Er zijn geen studies beschikbaar die gelijkblijvende intensiteit van VVE direct vergelijken met toenemende intensiteit (in contacturen per week).
Een combinatie van groep 3 met een groep 1/2 kan even goed, slecht of neutraal uitpakken als een combinatie met een groep 4/5. Er zijn geen gegevens bekend over welke combinatie bevorderlijk zou zijn voor leerprestaties of sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Zeker bij kleine groepen ligt het voor de hand om te kijken naar de werkhouding en de cognitieve ontwikkeling van de leerlingen. Dit in plaats van een algemene richtlijn te volgen die hier geen rekening mee houdt.
Mindfulnesstrainingen op school kunnen zorgen voor vermindering van stress bij kinderen en hebben soms een (klein) positief effect op cognitieve en sociaal-emotionele processen. Er zijn tot nu toe geen aanwijzingen dat mindfulnesstrainingen effect hebben op leeropbrengsten en gedrag.
De relatie tussen mediagebruik door kinderen thuis en executieve functies is niet eenduidig, maar er zijn wel aanwijzingen dat veelvuldig en vroegtijdig mediagebruik ten koste gaat van aandacht en concentratie. Het grootste probleem lijkt het niet-interactieve karakter van veel mediagebruik. Dat is ongunstig voor de hersenontwikkeling en daarmee voor de ontwikkeling van executieve functies. Interactief gebruik van digitale media kan deze negatieve gevolgen tegengaan.
Ruim zestig procent van de leerkrachten in het basisonderwijs koppelt de invoering van passend onderwijs (in 2014) aan een hogere werkdruk. Die werkdruk komt volgens hen vooral door een toename in de klas van leerlingen met gedragsproblemen. Leerkrachten vinden gedragsproblemen het moeilijkst om mee om te gaan, en dat speelt mee in de beleving. Het is niet bekend hoeveel leerlingen in het basisonderwijs gedragsproblemen vertonen; geen enkele instantie houdt dat bij. Of er sprake is van een toename sinds 2010 is dus niet vast te stellen.