Het lijkt bevorderlijk als docenten in het vmbo en het mbo theorie en praktijk in authentieke opdrachten met elkaar verbinden. Een brede blik op het beroep kan helpen om dit te realiseren. Authentiek leren vraagt van docenten ook ontwerpvaardigheden. Docenten kunnen verschillende vormen gebruiken om leerlingen en studenten te begeleiden. Bij elk van deze vaardigheden en activiteiten is het belangrijk om dit te doen in samenwerking met de opdrachtpartners.
Onderwijsprofessionals gebruiken inzichten uit onderzoek gemakkelijker als op hun school een structuur voor kennisbenutting aanwezig is en er een onderzoekscultuur heerst. De houding en vaardigheden van onderwijsprofessionals spelen ook een rol, maar hoe deze tot uiting komen is afhankelijk van de schoolcontext. Er zijn sterke aanwijzingen dat onderwijsprofessionals eerder kennis benutten wanneer zij die samen met onderzoekers creëren en ze een gelijkwaardige relatie met hen hebben.
Middenmanagers in het voortgezet onderwijs krijgen een steeds grotere rol in de ontwikkeling van hun school als lerende organisatie. Hoe zij positieve invloed kunnen uitoefenen op de leercultuur en de ontwikkeling van een lerende organisatie is nauwelijks wetenschappelijk onderzocht. Wel kunnen we uit onderzoek afleiden dat middenmanagers leerprocessen op school positief kunnen beïnvloeden als zij professionele leergemeenschappen bouwen waar leraren samen onderzoeken en ontwikkelen. Ook spelen zij een belangrijke rol bij het creëren van draagvlak voor vernieuwingen. Middenmanagers blijken nogal eens te verschillen in hun communicatie met docenten. Daardoor zijn niet alle docenten even goed op de hoogte van zaken die te maken hebben met de professionele leercultuur.
Geactualiseerd: 28 oktober 2023
Er is veel aandacht in de wetenschappelijke literatuur voor de transfer van kennis. Er is echter geen empirisch bewijs dat onderwijskennis direct effect kan hebben op de onderwijspraktijk. Welke kenmerken van bijeenkomsten waar onderzoekers en leraren elkaar ontmoeten bevorderlijk zijn voor de transfer van kennis, is op basis van onderzoek dan ook niet te zeggen. Onderzoekers en onderwijsprofessionals zijn van mening dat het voor de transfer van kennis van belang is dat ze elkaar (geregeld) ontmoeten.
Sinds 2014 is de uitval van pabo-studenten afgenomen. In het studiejaar 2015/2016 stopte 13 procent van de voltijdstudenten voortijdig en 28 procent van de deeltijdstudenten. Het gaat vooral om mannen, studenten met een niet-westerse achtergrond en studenten met een mbo-vooropleiding. Ook onder startende leerkrachten neemt de uitval de laatste jaren af. Na 1 jaar houdt ongeveer 8 procent het voor gezien, na 3 jaar zo’n 15 procent. Redenen om te stoppen liggen op het persoonlijke vlak of hebben te maken met gezondheid. Andere redenen zijn werkdruk en stress, minder goede relaties met collega’s en leidinggevenden, en gebrek aan doorgroeimogelijkheden.
Het aandeel werknemers dat te maken heeft met hoge taakeisen is in het primair onderwijs hoger dan in het voortgezet onderwijs. Ook emotioneel zwaar werk en lastige taken komen in het primair onderwijs iets vaker voor. Werkenden in het primair onderwijs hebben bovendien minder mogelijkheden om zelfstandig beslissingen te nemen over de uitvoering van hun werk. Ondanks deze verschillen in werkdruk is het aandeel werknemers met burn-outklachten in het primair onderwijs lager dan in het voortgezet onderwijs. De verzuimpercentages in beide onderwijssectoren wijken niet erg van elkaar af.
Een goede onderzoeksvraag is relevant voor de praktijk, verankerd in de theorie, precies geformuleerd, functioneel en consistent. Veel studenten vinden het moeilijk om tot een goede onderzoeksvraag te komen, in interactie met betrokkenen in de praktijk en gebruikmakend van theorie. Studenten hebben hiervoor verschillende soorten kennis, vaardigheden en houdingsaspecten nodig. Er is nauwelijks effectonderzoek gedaan naar manieren waarop lerarenopleiders hen daarbij het best kunnen begeleiden. Er zijn wel verschillende onderbouwde werkvormen die kunnen helpen en de dialoog kunnen stimuleren tussen begeleiders, studenten onderling en betrokkenen uit de praktijk, zoals de 5W+H-methode.
Of een lectoraat of practoraat succesvol is, hangt af van de inrichting en doelen van de opleiding, het personeelsbeleid en de strategieën voor kennisbenutting. Over de transferbaarheid van deze factoren naar het primair onderwijs is geen onderzoek beschikbaar. Experts op het gebied van de rol van onderzoek in het onderwijs komen wel tot aandachtspunten bij een eventuele introductie van een onderzoeksfunctie in het primair onderwijs. Dat zijn de visie van de school op onderzoek, betrokkenheid van de leerkrachten, kennisbenutting en financiering.
De beginperiode van een schoolleider is een lastige periode, met hoge werkdruk. De startende schoolleider is bezorgd over zijn nieuwe positie en zijn rol tegenover leraren. Hij heeft moeite om een coherente organisatie te realiseren, gericht op het primaire proces; een van de basiscompetenties in het beroepsprofiel. Over effectieve aanpakken van het begeleiden en stimuleren van startende schoolleiders in het voortgezet onderwijs is weinig bekend.
Basisscholen kunnen masteropgeleide leerkrachten onder meer inzetten bij het ontwerpen van lessen en bij lesbezoek. Persoonlijke kenmerken en leiderschapskwaliteiten van masteropgeleiden verhogen hun bijdrage aan de schoolkwaliteit. Het gaat dan om geloofwaardigheid, geloof in eigen kunnen en het vermogen om collega’s te mobiliseren. Ook schoolkenmerken zijn van belang, zoals inbedding in het personeelsbeleid, het inzetten van verschillende typen masters, en erkenning en ondersteuning door het management. Voorts helpen een sterk netwerk in de school, en een open en lerende cultuur.