De toetspakketten LOVS Woordenschat van Cito zijn een hulpmiddel om op lange termijn het globale woordenschatniveau (brede woordenschat en diepe woordenschat) en de woordenschatontwikkeling van leerlingen in kaart te brengen. De resultaten van de toets geven informatie over die ontwikkeling en kunnen helpen om beslissingen te nemen over de schoolloopbaan van leerlingen. Om positieve effecten te sorteren op de woordenschatontwikkeling zouden scholen de toets ook formatief kunnen gebruiken. Dan zetten ze de toetsresultaten in om het woordenschatonderwijs aan te passen. Dit vereist een aantal randvoorwaarden: eigenschappen van de toets zelf, de frequentie van afname, de leerling, de schoolcultuur, de inrichting van het (digitale) LOVS en de expertise van schoolteams.
Schoolcijfers evalueren of leerlingen aan bepaalde standaarden hebben voldaan. Rapportvormen als rubrieken en portfolio’s zijn meer gericht op het bevorderen van het leren. Zij geven inzicht in wat goed en wat minder goed gaat. De keuze voor een rapportvorm hangt voor een groot deel af van de wijze waarop de school zich wil profileren. In opkomst zijn rapportages over (ook) affectieve kenmerken, houding en interactie. Centraal daarin staan interactie met medeleerlingen en docenten, zelfstandigheid, leren leren en samenwerken.
Leerlingen die zwak presteren op bepaalde taken, laten vaak ook slechte metacognitieve vaardigheden zien. Ze hebben bijvoorbeeld moeite om op hun presteren te reflecteren of het nut van reflectie in te zien. Opdrachten waarbij de verantwoordelijkheid voor het eigen leerproces geleidelijk wordt overgeheveld van leraar naar leerling kunnen helpen om leerlingen te leren reflecteren.
Vmbo-leerlingen met hoge eindexamencijfers die doorstromen naar havo-4 hebben een grotere kans op het behalen van een havo-diploma dan degenen met lagere cijfers. Veel scholen hanteren een ondergrens van gemiddeld een 6,8 op het vmbo-examen om te mogen instromen in havo4. Het gemiddeld eindexamencijfer is echter geen perfecte voorspeller. Zelfs bij het hanteren van een relatief lage grens van gemiddeld een 6, valt nog altijd meer dan een derde onterecht buiten de boot; die leerlingen zouden dus wel het havo-diploma behalen. Op basis van onderzoek is er geen geschikte ondergrens te bepalen om vmbo-leerlingen al of niet toe te laten tot havo-4.
Een goede examentraining sluit aan op de lesstof en is afgestemd op de vorderingen van de leerlingen. Leraren moeten hiervoor de inhoudelijke structuur van testen en examens (her-) kennen en de vereiste prestatieniveaus moeten helder zijn. Op basis van prestaties van leerlingen op eerdere (formatieve) toetsen, kan de leraar verbanden leggen met de beschikbare leerstof en aangepaste instructies en oefeningen geven. Hierdoor ontstaat een positieve 'teaching-to-the-test'.
Nakijken kan zinvol zijn als daarmee feedback wordt gegeven op het leerproces van de leerling. De leerling moet deze feedback wel direct verwerken. Nakijken heeft ook zin als de leerkracht de informatie die hij daaruit verkrijgt, benut in zijn lessen en/of instructie. Als er alleen fouten worden aangestreept of gecorrigeerd, heeft nakijken geen of zelfs een negatief effect.