Er is nauwelijks onderzoek bekend naar de relatie tussen rijmvaardigheid en de spreek-, luister- of schrijfontwikkeling. Alleen wat betreft de (latere) leesontwikkeling is er in verschillende talen een relatie aangetoond met rijmen. Meer dan rijmen blijkt het fonemisch bewustzijn – het besef dat woorden zijn opgebouwd uit afzonderlijke klanken die corresponderen met lettertekens – samen te hangen met de leesontwikkeling.
Leerlingen die elkaar helpen als ‘maatje’ halen betere resultaten bij vakken als taal en rekenen. Dat geldt zowel voor de helper als voor de leerling die wordt geholpen. Voorwaarde is wel dat zo’n ‘maatjesproject’ past bij het leerdoel en de leeromgeving. En dat het zorgvuldig wordt uitgevoerd en begeleid.
Expliciete woordenschatinstructie, visuele ondersteuning en herhaalde blootstelling en oefening zijn effectief om de ontwikkeling van diepe woordkennis van leerlingen met taalproblemen te bevorderen. Voor deze doeleinden kan een woordmuur helpend zijn. Daarbij zijn een actieve inbreng van leerlingen en betekenisrelaties tussen woorden verbeelden van belang. Hoewel een woordmuur een populair hulpmiddel is om woordenschat te onderwijzen, is het wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit ervan beperkt.
Of leerlingen in groep 3 beter leren als ze in rijen zitten dan in groepjes is onduidelijk. In de meeste studies worden leeruitkomsten namelijk niet direct gemeten. Wel zijn basisschoolleerlingen taakgerichter en laten ze minder storend gedrag zien als ze in rijen zitten. Ook zijn ze beter in logisch redeneren. Om storend gedrag in de klas te beperken, kunnen leerkrachten het beste zelf bepalen waar iedereen zit.
Maak studenten duidelijk waarom voor een interdisciplinaire insteek is gekozen en welke leeruitkomsten ze kunnen behalen. Dat is een van de ontwerpprincipes van interdisciplinair onderwijs in het hoger onderwijs. Daarnaast is het belangrijk de juiste mindset bij docenten en studenten te ontwikkelen en evenwicht aan te brengen tussen de te integreren disciplines. Voor het welslagen van de integratie is een veilige, neutrale en gedeelde onderwijsomgeving van belang, evenals goede handleidingen. Docenten zijn coaches en werken als team.
Het is aannemelijk dat leerlingen nieuwe informatie beter kunnen onthouden als ze direct na de instructie oefenen, in plaats van later te oefenen losgekoppeld van de instructie. Bij aaneengesloten instructie en oefening is de voorkennis van leerlingen al geactiveerd en kunnen ze nieuwe leerstof direct toepassen. Dat helpt nieuwe informatie te onthouden. Om de leerstof op te slaan in het langetermijngeheugen is herhaalde oefening noodzakelijk. Er is geen onderzoek beschikbaar waarin aaneengesloten instructie en oefening versus losgekoppelde instructie en oefening met elkaar zijn vergeleken in relatie tot leerlingresultaten.
Er bestaat een klein positief verband tussen prestaties van leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs en deelname aan een combinatieklas, blijkt uit Noors onderzoek. Jongerejaars leerlingen in die klassen presteren namelijk iets beter. In combinatieklassen in de bovenbouw van het basisonderwijs in Nederland is er juist een klein negatief verband met leerprestaties. Hoewel combinatieklassen in het voortgezet speciaal onderwijs (vso) niet specifiek zijn onderzocht is het aannemelijk dat deze bevindingen daar ook kunnen gelden.
Werken met thema’s vraagt om zorgvuldige keuzes waarbij samenhang belangrijk is, zowel binnen als tussen de thema’s. De thema’s moeten aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen en uitdagend, gevarieerd, betekenisvol en kennisrijk zijn. Een helder overzicht van de te bereiken ontwikkelingsdoelen en leerlijnen voor de leerlingen vormt het uitgangspunt bij de keuze van de thema’s. Of tweejaarlijks thema’s vaststellen voor groep 1 en 2 bijdraagt aan het behalen van ontwikkelingsdoelen is niet duidelijk. Die werkwijze is niet als zodanig onderzocht.
Met de stoplichtmethode kunnen leerkrachten gedragsregels met de kleuren rood, oranje en groen duidelijk maken in de klas. Leerlingen vertonen met die aanpak meer taakgericht en minder storend gedrag. Dit geldt voor leerlingen van verschillende leeftijden en in verschillende onderwijssettings. Het lijkt belangrijk om de stoplichtmethode zorgvuldig te introduceren en te bespreken met de leerlingen.
De vorm van aanvulaantekeningen heeft waarschijnlijk invloed op hoe goed leerlingen de stof verwerken als ze aantekeningen maken. Het is echter niet duidelijk welke vorm wanneer het meest geschikt is voor leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het lijkt uit te maken hoe complex de informatie is die leerlingen moeten leren en welke vaardigheden ze moeten gebruiken. Het meest geschikt voor complexe informatie is een matrix of een andere vorm waarin relaties tussen onderwerpen worden gelegd. Zo’n ordenende vorm zorgt ook voor betere leerresultaten bij leerlingen die moeite hebben om zelf informatie te structureren.