Leervoorkeuren of leerstijlen van leerlingen en studenten die worden gerelateerd aan verbale of visuele informatieverwerking, hebben weinig tot niets te maken met hun ruimtelijke of verbale vaardigheden. De zogenoemde beelddenkers maken verbale opdrachten even goed als de woorddenkers en andersom. Op grond hiervan is niet te verwachten dat het studiesucces van beelddenkers toeneemt met minder talige opdrachten.
Een gemiddeld niveau van complexiteit en kleur op wanden van het klaslokaal werkt voor het leren van jonge leerlingen het best. Of dat eveneens geldt voor studenten in het mbo is niet bekend. Vakinhoudelijk toegespitste aankleding kan afleiden, vooral voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. Stereotype symboliek in de aankleding kan bepaalde groepen leerlingen het gevoel geven minder thuis te horen in het klaslokaal. Anderzijds kan de aankleding zorgen voor een meer authentieke leeromgeving, wat passend is bij de doelgroep van het mbo.
Voor eigenaarschap voor leren lijkt het in zijn algemeenheid belangrijk om heldere, realistische en uitdagende doelen te stellen. Doelen die zijn afgestemd op de vorderingen en interesses van de leerlingen. Het helpt als leerlingen, begeleid door de docent, deze doelen zelf mee mogen formuleren. Ook begeleiding bij het leren benutten van de doelstellingen in hun leerproces is voor leerlingen van belang. Systematisch onderzoek naar direct effect van leerdoeldenken bij leerlingen in het voortgezet onderwijs ontbreekt echter.
Geactualiseerd: 10 januari 2024
Toepassing van het vut-model maakt het mogelijk om tijdens inburgeringslessen de volwassen deelnemers een gedifferentieerde en persoonlijke aanpak te bieden. In de voorbereidingsfase stelt de docent samen met de deelnemer de leerdoelen vast. Aansluitend krijgt de deelnemer directe instructie. Vervolgens staat de praktijksituatie van de deelnemer centraal. In deze uitvoeringsfase speelt de docent een grote rol. Dit geldt ook voor de fase van terugkijken. De docent betrekt de deelnemer bij de reflectie en beloont zijn inzet.
In de jaren tachtig en negentig werden geen verschillen gevonden tussen combinatieklassen en homogene klassen als het gaat om de kwaliteit van instructie en leerprestaties. Wel ervoeren leerkrachten van combinatieklassen hun werk als zwaarder. De Inspectie van het Onderwijs komt echter recent tot de conclusie dat de onderwijskwaliteit in combinatieklassen lager is dan in homogene klassen. Dit geldt voor uitleg, werksfeer en betrokkenheid van leerlingen. De Inspectie constateert ook dat werken in combinatieklassen veel vergt van leerkrachten.
Bewijs voor effectiviteit of ineffectiviteit van de inzet van leervoorkeuren op leerresultaten ontbreekt. Op basis van kennis over het toepassen van de theorie van leerstijlen lijkt het voor het leerrendement niet zinvol om onderwijsaanbod aan te passen aan leervoorkeuren. Mogelijk is er wel een belangrijke relatie tussen voorkennis en leervoorkeuren.
De prestaties van leerlingen op categoriale gymnasia verschillen niet veel van die van vwo-leerlingen op scholengemeenschappen, zo blijkt uit een recente analyse. De gymnasiasten doen het over de hele linie zowel op het schoolexamen (SE) als op het centraal eindexamen (CE) een fractie beter. Het verschil tussen de SE- en CE-cijfers is ook ietsje kleiner op de categoriale gymnasia.
Het weinige onderzoek naar de effecten van unitonderwijs op taal- en rekenprestaties van leerlingen in de leeftijd van vier tot twaalf jaar is niet eensluidend. Voor sociaal-emotionele en 21e-eeuwse vaardigheden zijn slechts summiere gegevens bekend. Er zijn aanwijzingen dat leerlingen op scholen met unitonderwijs meer metacognitieve vaardigheden en meer eigenaarschap voor hun leerproces ontwikkelen.
Een deel van de kennis die leerlingen vergaren in het voortgezet onderwijs gaat verloren als ze deze niet meer gebruiken. Dat gebeurt vooral in de eerste jaren na de kennisverwerving. Een substantieel deel van de resterende kennis is zelfs na vijftig jaar nog beschikbaar, ook als deze in de tussenliggende periode niet is gebruikt. De persoon herkent of herinnert zich dan de kennis, of kan deze sneller leren dan bij de aanvankelijke verwerving. Het percentage beschikbare kennis na een bepaalde tijd is onder meer afhankelijk van de duur van het genoten onderwijs. Andere factoren zijn het behaalde kennisniveau, het schoolvak en het type kennis (passief of actief).
Een kleinere klassenomvang beïnvloedt over het algemeen de leerprestaties positief. De grens zou weleens bij twintig leerlingen kunnen liggen. Het is daarbij belangrijk de leerlingen binnen kleinere klassen verder te groeperen naar niveau en differentiatie van instructie. Bij echt kleine subgroepen die bestaan uit drie of vier leerlingen zijn de leeropbrengsten hoger dan bij subgroepen van vijf tot zeven leerlingen.