Kortstondig contact met een rolmodel vergroot op de korte termijn de interesse van leerlingen in techniek, maar over langetermijneffecten is weinig bekend. Rolmodellen lijken ook invloed te hebben op de studiekeuze van leerlingen, met name wanneer leerlingen vlak voor een studiekeuze staan. Onduidelijk is of deze positieve effecten veroorzaakt worden doordat leerlingen zich identificeren met het rolmodel of dat de wijze waarop het rolmodel zich presenteert de doorslag geeft.
Extra instructietijd kan een positieve invloed hebben op leerprestaties, vooral voor kansarmere groepen. Aanvullende activiteiten voor sport en cultuur of aandacht voor persoonlijke ontwikkeling lijken geen leerwinst op te leveren. Extra schooltijd betekent dan ook niet automatisch dat leerlingen meer leren. Scholen die een verrijkte schooldag willen invoeren, doen er goed aan mogelijke voor- en nadelen af te wegen en na te gaan of een verlengde schooldag het juiste middel is om de beoogde doelen te behalen.
Werken en studeren in een bedrijfsschool gebeurt meestal in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Er zijn geen harde cijfers over het aantal bedrijfsscholen en de deelname daaraan. Daardoor is onduidelijk of de deelname aan de bbl in bedrijfsscholen ten koste gaat van het aantal studenten in beroepsopleidende leerweg (bol). Wel blijkt deelname aan bbl- en bol-opleidingen conjunctuurgevoelig. Bij economische groei neemt het aantal bbl-plaatsen en -studenten toe; bij economische krimp zijn bol-opleidingen meer in trek.
Verschillende arbeidsmarktsectoren hechten steeds meer belang aan interdisciplinair samenwerken. Opleidingen in het beroepsonderwijs lijken daar gericht aan te kunnen bijdragen, maar bewijzen voor positieve effecten ontbreken. Interdisciplinair opleiden vraagt een specifieke en weloverwogen inrichting van het onderwijs, wat weer de nodige eisen stelt aan docenten en management.
Effectieve samenwerking tussen scholen en verschillende educatieve partners kent de volgende gemeenschappelijke succesfactoren: visie, leiderschap en coördinatie, structurele communicatie, draagvlak, aandacht voor (financiële) randvoorwaarden, gezamenlijke ontwikkeling van activiteiten en producten. Een causale relatie tussen een goede samenwerking en het behalen van doelen van de samenwerking is nog niet overtuigend aangetoond.