Inclusief onderwijs heeft een positief effect op de cognitieve ontwikkeling van leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften. Dit komt onder andere omdat zij kunnen leren van de schoolse kennis en vaardigheden van hun klasgenoten. Verder ligt de focus in het regulier onderwijs vaak meer op leerprestaties dan in het speciaal onderwijs. Ook voor de cognitieve ontwikkeling van leerlingen zonder extra ondersteuningsbehoeften heeft inclusief onderwijs positieve effecten. Dit komt onder meer doordat deze leerlingen profiteren van de hulp die leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften krijgen.
Een goede didactische begeleiding, uitdagende lessen en een stimulerend onderwijsaanbod kunnen ervoor zorgen dat studenten meer betrokken raken en meer gemotiveerd zijn. Ook contacten en interactie met docenten, medestudenten en de omgeving, kunnen absentie helpen tegengaan. Onderzoek naar directe factoren in de leeromgeving die absentie in het mbo voorkomen, lijkt te ontbreken.
Een schoolgebouw moet alle leerlingen voldoende bewegingsruimte bieden. Dat geldt voor gangen, klaslokalen, toiletten, trappenhuizen, aula, gymzalen en kleedkamers. Ook dienen er voor iedereen toegankelijke opbergruimten te zijn. Verder hebben leerlingen met een beperking specifieke ruimtes nodig om met maatschappelijk werkers, fysiotherapeuten of verpleegkundigen af te kunnen spreken. Het is raadzaam om leerlingen met verschillende beperkingen te betrekken bij het ontwerpen van scholen voor inclusief onderwijs.
Succesfactoren bij het aangaan en onderhouden van een relatie met de omgeving zijn een gedeelde visie, leiderschap en coördinatie, draagvlak, communicatie, vertrouwen, kwaliteit en aandacht voor randvoorwaarden. Aanvullingen op of afwijkingen van deze factoren zijn afhankelijk van het doel waarmee de school voor voortgezet onderwijs de samenwerking aangaat. Naar samenwerking specifiek gericht op de vormgeving van burgerschap is in Nederland geen onderzoek verricht.
Leerlingen met een jonge ontwikkelingsleeftijd (die wat het verstandelijk niveau van functioneren betreft onder het gemiddelde zitten) en met een licht verstandelijke beperking (een IQ tussen de 60-70) hebben vaak moeite om na te denken of te praten over hun eigen cognitie, motivatie, gedrag en over ruimte en materialen. Dat maakt dat ze hun metacognitieve vaardigheden minder goed kunnen ontwikkelen. En die vaardigheden zijn essentieel om te kunnen leren. Participatieve fotografie zou een hulpmiddel kunnen zijn. Het gaat daarbij opdrachten waarin leerlingen digitale beelden maken, hierop reflecteren en deze samen met de leraar of de groep bespreken,. De leraar krijgt dan ook meer zicht op het leerproces van de leerling.
Schoolleiders kunnen curriculumontwikkeling bevorderen door doelbewust interventies in te zetten. Curriculumontwikkeling is een complex proces dat je kunt zien als een organisatieverandering en als een ontwerpproces. Op beide onderdelen kunnen schoolleiders zorgen voor duurzame ontwikkeling en verankering in de organisatie. Succesfactoren zijn onder andere het stimuleren van een positieve houding ten aanzien van curriculumverandering binnen de school en het vormgeven van een gezamenlijk en geleidelijk proces. De verandering inbedden in het professionele ontwikkelingsprogramma voor alle betrokkenen draagt ook bij aan succes.