Educatief partnerschap biedt een goede insteek om de wederzijdse betrokkenheid van school en ouders te versterken. De school is leidend bij de vormgeving van educatief partnerschap. Voldoende ruimte voor inbreng van de ouders is echter een voorwaarde voor succes. Belangrijk is dat scholen en de leraren positief en onbevooroordeeld staan tegenover de betrokkenheid van ouders. Ook is het goed als zij oog hebben voor cultuurverschillen en verschillen tussen ouders. Zij moeten met die verschillende ouders kunnen communiceren en kritisch kunnen kijken naar hun eigen geschiedenis en rol daarvan in het contact.
Geactualiseerd: 15 juli 2024
Direct en indirect contact tussen kinderen van verschillende etnische groepen helpt om vooroordelen op basis van huidskleur en etniciteit te voorkomen of verminderen. Ook zorgt een positieve sociaal-cognitieve ontwikkeling, als kinderen leren begrijpen wat andere mensen doen, voelen en denken, voor de afname van vooroordelen. Voor kinderen uit minderheidsgroepen zijn juist interventies nodig die aandacht besteden aan het zelfbeeld en omgaan met discriminatie en racisme.
Zowel onder- als overadvisering heeft voor de meeste kinderen meer negatieve dan positieve langetermijneffecten. Een goed schooladvies is daarom van belang voor de verdere schoolloopbaan. Veel factoren spelen een rol bij de totstandkoming van het schooladvies, zoals toetsresultaten uit het leerlingvolgsysteem, gedragskenmerken en het zorgdossier van de leerling. De focus op toetsen in het basisonderwijs zorgt voor teaching to the test. Dat heeft een negatief effect op de verdere schoolloopbaan door de versmalling van het curriculum.
Geanimeerde prentenboeken en het programma Letters in Beweging hebben een positief effect op de taal- en leesontwikkeling van risicoleerlingen. De effecten zijn echter mede afhankelijk van de kwaliteit van het boek, de ingebouwde interactie, het aantal keren dat het boek aangeboden wordt en de interactie met een volwassene. Bij kinderen met ernstige spraak- en taalmoeilijkheden (ESM) is voorzichtigheid geboden met achtergrondgeluid en muziek.
De meeste vmbo-gediplomeerden die overstappen naar havo-4 behalen ook hun havo-diploma. Het is niet bekend of het samenstellen van gemengde docententeams (mavo-havo) bijdraagt aan dat succes. Wel is duidelijk dat de eindexamencijfers van vmbo’ers een belangrijke rol spelen. Degenen met de laagste cijfers hebben de meeste moeite met de andere pedagogisch-didactische aanpak in het havo. Het lijkt daarom verstandig om die groep extra aandacht te geven, zowel in de voorbereiding op als in de begeleiding op het havo. Vmbo-leerlingen van bredere scholengemeenschapen doen het beter in het havo dan vmbo’ers van scholen met alleen een vmbo-aanbod (inclusief categorale mavo’s).
De menstruatiecyclus heeft zeker invloed op het alledaagse functioneren, zowel positief als negatief. Bij de meeste vrouwen, met een gezonde cyclus, zijn nadelige effecten hiervan waarschijnlijk minimaal. Vrouwen met premenstrueel syndroom (PMS) of premenstruele dysfore stoornis (PMDD) lijken wel een duidelijkere verslechtering in cognitieve functies te hebben tijdens de premenstruele fase. Of en welke invloed dit heeft op de prestaties is niet bekend.
Geactualiseerd: 21 december 2018
Meisjes zijn in het onderwijs meer risicomijdend en hebben meer moeite met het maken van fouten dan jongens. Als meisjes denken dat een opdracht te moeilijk voor hen is, zijn ze eerder dan jongens geneigd om op te geven. Dit geldt het sterkst voor meisjes met een hoog IQ. Het besef van eigen talent en begaafdheid helpt meisjes niet om hun faalangst te overwinnen, integendeel. Anderzijds werken meisjes, meer dan jongens, planmatig en gedisciplineerd aan hun schoolwerk. Als ze een positieve terugkoppeling krijgen op deze inzet, raken ze minder snel ontmoedigd door tegenslagen. Opvoeders en leraren kunnen meisjes helpen door ze te prijzen voor hun inzet, niet voor hun talenten.
Geactualiseerd: 2 augustus 2019
Leerlingen die een verlengde kleuterbouw doorlopen, behalen in groep 4 hogere scores op reken- en taaltoetsen dan leerlingen die (versneld) doorstromen naar groep 3. Op de korte termijn heeft versneld doorstromen naar groep 3 dus gemiddeld genomen een negatief effect. Echter, later in de schoolloopbaan (in groep 6 en 8) verdwijnt dit verschil. Deze resultaten sluiten aan bij meer algemeen onderzoek naar zittenblijven, waaruit blijkt dat positieve effecten zich alleen op korte termijn voordoen en niet op de langere termijn.
Geactualiseerd: 21 december 2018
Leer- of gedragsproblemen vroegtijdig onderkennen, is in het voordeel van leerlingen, zo blijkt uit verscheidene onderzoeken. Hoe eerder de problemen worden gesignaleerd, des te eerder kan worden begonnen met interventies. Dit geldt voor zowel leer- als gedragsproblemen. Dit wil niet zeggen dat deze behandeling het beste kan plaatsvinden in het speciaal basisonderwijs (sbao) of speciaal onderwijs (so). Voor hun leerresultaten zijn veel leerlingen er juist bij gebaat om in het reguliere onderwijs te blijven. Keerzijde is dat het reguliere onderwijs het zelfvertrouwen en de motivatie van sommige leerlingen geen goed doet.
Geactualiseerd: 21 december 2018
Samenwerking tussen ouders en school bestaat in verschillende vormen. Niet alle vormen van ouderbetrokkenheid zijn even effectief. Zo kunnen we meer verwachten van ouderbetrokkenheid thuis (samen lezen, praten over school) dan van ouderbetrokkenheid op school (ouderparticipatie). Effecten van ouderbetrokkenheid zijn groter naarmate de sociale status van ouders lager is. Daarbij is het wel een voorwaarde dat de school deze ouders als serieuze gesprekspartners ziet. De relatie tussen ouderbetrokkenheid en leerresultaten is complex en is onder meer afhankelijk van de leeftijd en de sociaal-culturele achtergrond van kinderen. Niet alleen feitelijke samenwerking, maar ook de houding en verwachtingen van leraren doen ertoe. Ouders met een laag opleidingsniveau voelen zich meer betrokken dan veel leraren denken.