Virtual reality geeft studenten de mogelijkheid om te oefenen met beroepsgerichte soft skills, in een realistische werkomgeving en beroepssituatie. Voor het beste resultaat start je als docent met een briefing waarin je het verband tussen de oefening en het toekomstige werk verduidelijkt. Je laat de studenten vervolgens oefenen met uitdagende scenario’s in een psychologisch veilige setting. En tot slot zorg je met een debriefing voor hogere en toekomstgerichte leeropbrengsten.
De lesobservatie-instrumenten ICALT en CLASS zijn bruikbaar bij de ontwikkeling van het pedagogisch-didactisch handelen van leraren. Deze instrumenten dragen bij aan professionele ontwikkeling, zijn betrouwbaar en valide, en ze brengen verschillende aspecten van leskwaliteit in kaart. Bovendien zijn ze goed beschreven in toegankelijke informatie en voor meerdere leerjaren geschikt.
Kortstondig contact met een rolmodel vergroot op de korte termijn de interesse van leerlingen in techniek, maar over langetermijneffecten is weinig bekend. Rolmodellen lijken ook invloed te hebben op de studiekeuze van leerlingen, met name wanneer leerlingen vlak voor een studiekeuze staan. Onduidelijk is of deze positieve effecten veroorzaakt worden doordat leerlingen zich identificeren met het rolmodel of dat de wijze waarop het rolmodel zich presenteert de doorslag geeft.
Voor zover bekend is er geen onderzoek gedaan naar de relatie tussen het opleidingsniveau van eerstegraads docenten in het voortgezet onderwijs en hun functioneren als docent. Beginnende, universitair geschoolde vo-docenten vóelen zich wel vaak minder bekwaam en minder goed voorbereid op het vak. En ze hebben minder professioneel zelfvertrouwen dan hun hbo-opgeleide collega’s.
Hoewel verschillende kenmerken van startende leraren relevant lijken voor de vormgeving van hun begeleiding, is het niet goed te zeggen voor wie nou precies welk arrangement het meest geschikt is. Maatwerk in overleg met starters lijkt het beste, waarbij het belangrijk is dat de begeleiding breed en doelgericht is. Bij zij-instromers is het belangrijk om collegiaal contact te stimuleren en relevante expertise uit hun eerdere loopbaan actief te waarderen.
Professionalisering is belangrijk voor de kwaliteit van het werk en voor het werkgeluk van leraren. Of specifiek nieuwe taken of een financiële beloning na een professionaliseringstraject bijdragen aan werkgeluk is niet onderzocht. Meer in het algemeen is wel duidelijk dat het de moeite loont om te investeren in het werkgeluk van werknemers.
Verschillende factoren dragen bij aan een voor leerlingen succesvolle overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs. Belangrijk is dat leerlingen zich thuis voelen op de middelbare school. Daarnaast gaat het om werken aan relaties tussen leerlingen en leraren en aandacht hebben voor relaties tussen leerlingen onderling. Maar ook een doorlopende pedagogisch-didactische lijn uitzetten en ouders bij het proces betrekken.
Er zijn verschillende manieren die helpen om laaggeletterde volwassenen te bereiken. Dat zijn de doelgroep specificeren, samenwerking tussen organisaties en een passend aanbod creëren, op zowel inhoud als vorm. Daarnaast is het belangrijk om rekening te houden met belemmeringen die de doelgroep kan ervaren. Bij dit alles is duidelijke communicatie essentieel. Over effectieve manieren om laaggeletterde ouders te bereiken en hen te stimuleren mee te doen aan activiteiten om de eigen taalvaardigheid te vergroten, is niets bekend.
NT2-leerlingen kunnen bij de start van de basisschool moeite hebben met de uitspraak van Nederlandse klanken. Er lijkt echter geen specifieke of extra instructie of oefening nodig te zijn om de correcte uitspraak van het Nederlands aan te leren. Uitspraakfouten bij jonge kinderen verdwijnen in de loop van de tijd vanzelf, naarmate ze meer zijn blootgesteld aan de Nederlandse taal. Vooral tijdens de sensitieve fase – die loopt tot het einde van de puberteit – kunnen leerlingen een hoog beheersingsniveau behalen in de tweede taal.
Leerlingen die in de bovenbouw beginnen aan een vreemde taal, presteren aan het einde van hun schoolcarrière vrijwel altijd beter in die nieuwe taal dan leerlingen die in de onderbouw starten. Hoe meer een leerling wordt blootgesteld aan de vreemde taal, hoe beter de prestaties. Het is goed mogelijk om meerdere talen tegelijk te leren. Leerlingen die al eerder een vreemde taal hebben geleerd, profiteren van de vaardigheden die ze hierin hebben opgedaan.