Eigenaarschap van leren is de mate waarin de leerling verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen leerproces. Om het eigenaarschap van leerlingen te versterken kun je onder meer de motivatie, betrokkenheid, zelfsturing en metacognitieve vaardigheden bevorderen. Docenten kunnen daarvoor hun eigen gedragsrepertoire verbreden, bijvoorbeeld door didactische strategieën toe te passen die zijn gericht op het gevoel van autonomie, betrokkenheid en competentie. Ook leerlingen effectieve leerstrategieën aanleren en hen ondersteunende feedback geven, zijn voorbeelden van effectief docentgedrag. Bovendien kunnen docenten de leeromgeving verrijken met bijvoorbeeld goed toegankelijke informatiebronnen, internet en andere (digitale) hulpmiddelen.
Over het algemeen lijkt Spaans makkelijker te verwerven dan Frans. Spaans is transparanter dan Frans. Voor leerlingen met dyslexie blijken Engels en Frans lastiger te zijn dan Nederlands en Duits. Maar het gemak waarmee iemand een taal leert, varieert. Als leerlingen over bepaalde (compensatie)strategieën beschikken of veel in contact komen met talen, kan het leren van de taal soms onverwacht makkelijk gaan.
Ondernemerschapsonderwijs draagt bij aan het zelfvertrouwen van studenten, het benutten van kansen, oplossingsgerichtheid en doorzettingsvermogen. Ook geeft het studenten meer mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De belangrijkste competenties in het onderwijs voor ondernemerschap zijn specifieke sleutelvaardigheden voor een ondernemer (zoals creativiteit, bereidheid risico te nemen, zelfvertrouwen), de ondernemer als manager en de ondernemer als ondernemer.
Geactualiseerd: 7 augustus 2022
Ouders en behandelaars geven aan dat kinderen dankzij zogenoemde reflextherapiemethodes zowel cognitief als gedragsmatig forse vooruitgang boeken. De reguliere wetenschap plaatst reflextherapie in het alternatieve circuit. Er is nauwelijks onafhankelijk onderzoek gedaan naar de effectiviteit van deze therapieën. Het wetenschappelijke bewijs voor de effectiviteit van INPP-therapie en aanverwante interventies is zeer mager.
De meeste vmbo-gediplomeerden die overstappen naar havo-4 behalen ook hun havo-diploma. Het is niet bekend of het samenstellen van gemengde docententeams (mavo-havo) bijdraagt aan dat succes. Wel is duidelijk dat de eindexamencijfers van vmbo’ers een belangrijke rol spelen. Degenen met de laagste cijfers hebben de meeste moeite met de andere pedagogisch-didactische aanpak in het havo. Het lijkt daarom verstandig om die groep extra aandacht te geven, zowel in de voorbereiding op als in de begeleiding op het havo. Vmbo-leerlingen van bredere scholengemeenschapen doen het beter in het havo dan vmbo’ers van scholen met alleen een vmbo-aanbod (inclusief categorale mavo’s).
Geactualiseerd: 21 december 2018
Meisjes zijn in het onderwijs meer risicomijdend en hebben meer moeite met het maken van fouten dan jongens. Als meisjes denken dat een opdracht te moeilijk voor hen is, zijn ze eerder dan jongens geneigd om op te geven. Dit geldt het sterkst voor meisjes met een hoog IQ. Het besef van eigen talent en begaafdheid helpt meisjes niet om hun faalangst te overwinnen, integendeel. Anderzijds werken meisjes, meer dan jongens, planmatig en gedisciplineerd aan hun schoolwerk. Als ze een positieve terugkoppeling krijgen op deze inzet, raken ze minder snel ontmoedigd door tegenslagen. Opvoeders en leraren kunnen meisjes helpen door ze te prijzen voor hun inzet, niet voor hun talenten.
Geactualiseerd: 21 december 2018
Samenwerking tussen ouders en school bestaat in verschillende vormen. Niet alle vormen van ouderbetrokkenheid zijn even effectief. Zo kunnen we meer verwachten van ouderbetrokkenheid thuis (samen lezen, praten over school) dan van ouderbetrokkenheid op school (ouderparticipatie). Effecten van ouderbetrokkenheid zijn groter naarmate de sociale status van ouders lager is. Daarbij is het wel een voorwaarde dat de school deze ouders als serieuze gesprekspartners ziet. De relatie tussen ouderbetrokkenheid en leerresultaten is complex en is onder meer afhankelijk van de leeftijd en de sociaal-culturele achtergrond van kinderen. Niet alleen feitelijke samenwerking, maar ook de houding en verwachtingen van leraren doen ertoe. Ouders met een laag opleidingsniveau voelen zich meer betrokken dan veel leraren denken.
Geactualiseerd: 15 september 2018
Er zijn sterke aanwijzingen dat leerlingen betere leerprestaties kunnen behalen, als zij zelf goed de regie kunnen voeren over hun eigen leerproces. Daarvoor moeten ze bewust verschillende leerstrategieën combineren, zoals relateren, analyseren, structureren, oriënteren, plannen en evalueren. Het leren gebruiken van deze strategieën vraagt ondersteuning van docenten, bijvoorbeeld door na modelleren (voordoen of laten zien) gerichte te vragen te blijven stellen.