Het is niet bekend of er verschil is tussen voorlezen in heterogene groepjes met verschillende taalniveaus of homogene groepjes met een vergelijkbaar taalniveau. In beide type groepjes kunnen peuters met een taalontwikkelingsachterstand hun taalvaardigheid verbeteren als een pedagogisch professional ze regelmatig, bewust en interactief voorleest.
Programma’s om ouders met hun kinderen te laten oefenen met taal zijn effectiever als ze een duidelijke focus hebben en aansluiten bij de kenmerken en routines van gezinnen. Zo zijn taal- en spelactiviteiten voor laagopgeleide ouders vaak effectiever dan voorleesactiviteiten. In de communicatie met ouders doen pedagogisch professionals er goed aan een positieve, onbevooroordeelde houding aan te nemen en gerichte adviezen te geven. Dit vergroot de betrokkenheid van ouders en zorgt ervoor dat ze zich competenter voelen.
Er zijn aanwijzingen dat peuter-kleutergroepen bijdragen aan een soepele overgang naar school. Peuters profiteren van een hogere educatieve kwaliteit en kunnen zich optrekken aan de kleuters. Het succes wordt mede bepaald door het aantal kinderen per beroepskracht en de mate van differentiatie in de klas. Voor een succesvolle integratie van opvang en onderwijs werken de professionals samen als team en stemmen ze een doorlopende pedagogische en didactische lijn af.
Aardrijkskunde vraagt om inzicht in ruimtelijke vraagstukken. Ruimtelijk denken komt al op jonge leeftijd tot ontwikkeling. Daarmee ligt er een basis om aardrijkskunde te leren. Uit het weinige onderzoek naar de effecten van aardrijkskundeonderwijs aan kleuters, blijkt dat kleuters onder meer kunnen leren over namen van landen en planeten, en verschillen tussen dag en nacht. Ook kunnen zij geofysische entiteiten zoals rivieren en eilanden leren herkennen en een plattegrond leren begrijpen en gebruiken.
Administratieve barrières wegnemen, de beschikbaarheid verbeteren, de ouderbijdrage substantieel verlagen en het vertrouwen vergroten, kunnen de deelname aan voorschoolse educatie bevorderen. Gezien de diversiteit aan redenen om niet deel te nemen, lijkt het effectief om verschillende maatregelen – gericht op de vraagkant en de aanbodkant – tegelijkertijd in te zetten.
Er is een lichte aanwijzing dat leerlingen meer nieuwe woorden leren uit teksten die voor een groter deel uit bekende woorden bestaan. Tekstbegrip lijkt hierbij een rol te spelen. Als de context voldoende duidelijk is, kunnen leerlingen de betekenis van nieuwe woorden daar gemakkelijker uit afleiden. Verder helpt het als leerlingen nieuwe woorden vaker en in verschillende contexten tegenkomen. Op die manier wordt er steeds nieuwe informatie over het woord toegevoegd aan de al bestaande kennis over het woord.
Expliciete woordenschatinstructie, visuele ondersteuning en herhaalde blootstelling en oefening zijn effectief om de ontwikkeling van diepe woordkennis van leerlingen met taalproblemen te bevorderen. Voor deze doeleinden kan een woordmuur helpend zijn. Daarbij zijn een actieve inbreng van leerlingen en betekenisrelaties tussen woorden verbeelden van belang. Hoewel een woordmuur een populair hulpmiddel is om woordenschat te onderwijzen, is het wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit ervan beperkt.
Van een aantal programma’s en interventies is bekend dat ze effectief bijdragen aan de sociaal-emotionele en de leerondersteunende vaardigheden van kleuters, en daarmee aan hun schoolrijpheid. Die schoolrijpheid zorgt ervoor dat kinderen in een schoolse setting kunnen meedraaien wanneer ze in de kleuterklassen instromen. Die programma’s worden deels in het kader van vve-trajecten ingezet en deels daarbuiten.
Er is enig bewijs dat een meertalig kind met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) meer baat heeft bij ondersteuning in alle talen die het spreekt dan bij ondersteuning in één taal. Aannemelijk is dat logopedisten die gespecialiseerd zijn in meertaligheid hierin uitkomst kunnen bieden. Voor een goede diagnostisering van een TOS is het van belang om een kind te testen in alle talen die het spreekt. Ook het proces van het taalleren moet in kaart worden gebracht.
Leeftijd, cognitieve vaardigheden (vooral taalbewustzijn), sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag hangen sterk samen met het oordeel van de leerkracht of een leerling wel of niet toe is aan groep 3. Om een succesvolle overgang naar groep 3 te realiseren, hebben zowel leerkrachten in groep 2 als in groep 3 een taak.