Sinds 2017 werkt de Inspectie van het Onderwijs met een vernieuwd toezichtkader. Daarbij ligt de focus op het niveau van het bevoegd gezag en niet meer op het niveau van de scholen. De gedachte hierachter is dat besturen en het intern toezicht, die samen het bevoegd gezag vormen, verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit van het onderwijs.
Onderwijskwaliteit waarborgen en verbeteren
De beleidstheorie achter het vernieuwde toezichtkader bestaat uit een serie veronderstellingen over de borging van onderwijskwaliteit. Deze theorie gaat ervan uit dat de verantwoordelijke schoolbesturen gemotiveerd zijn om de onderwijskwaliteit te waarborgen en te verbeteren. Daarvoor richten ze een goed functionerend kwaliteitszorgsysteem in. En dat alles stimuleert schoolleiders en leraren om het onderwijs zo in te richten dat het bijdraagt aan verbetering van de kwaliteit.
Aansluiting toezicht op primaire processen
Het ontbreekt nog aan gedegen onderzoek naar de relatie tussen besturen en de kwaliteit van onderwijs in het primair en voortgezet onderwijs om de werking van deze beleidstheorie te toetsen. Wel zijn bestuurders, schoolleiders en leraren die net voor en net na de invoering van het vernieuwde toezicht door de Inspectie zijn bezocht, gevraagd hoe ze tegen bepaalde mechanismen aankijken.
Daaruit blijkt dat de beleidstheorie onvoldoende oog heeft voor processen die binnen onderwijsorganisaties nodig zijn om onderwijskwaliteit te verbeteren. Het gaat dan bijvoorbeeld om waarderend leiderschap, professionalisering en verbetercultuur. Gevolg van de nadruk op verbetering van kwaliteit via schoolbesturen is dat het toezicht van de Inspectie onvoldoende aansluit op processen die onderwijskwaliteit direct beïnvloeden. Tegelijkertijd is het te vroeg om conclusies te trekken, omdat eventuele effecten van toezichthouden over het algemeen indirect en vertraagd verlopen.
Veronderstellingen relatie bestuur en onderwijskwaliteit
Het is daarnaast onduidelijk hoe de relatie tussen besturen en de kwaliteit van het onderwijs precies in elkaar steekt. Verondersteld wordt dat de invloed van het bestuur top-down loopt via de schoolleider en het schoolklimaat naar het didactisch handelen. Dat beïnvloedt vervolgens de kwaliteit van de les en de prestatie van de leerling.
Sommige onderzoekers plaatsen een kanttekening bij deze veronderstellingen. Volgens hen zijn generieke uitspraken over effecten van besturen op onderwijskwaliteit onmogelijk, omdat de relatie te indirect en afhankelijk van de context is. Bestuurders hebben niet altijd goed zicht op leerresultaten en het onderwijsleerproces. Daarom zou op het niveau van de afzonderlijke scholen moeten worden beoordeeld of het onderwijs voldoet aan kwaliteitsnormen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Sjerp van der Ploeg (kennismakelaar Kennisrotonde).