Al op tweejarige leeftijd bestaan er aanzienlijke verschillen in cognitieve en taalvaardigheden tussen kinderen. Dat komt door verschillen in hun sociaal-economische status en migratieachtergrond. Die factoren hebben invloed op de opvoeding, de mate van ontwikkelingsstimulering en de materiële hulpbronnen in het gezin. Om deze ongelijkheid te bestrijden wordt voor- en vroegschoolse educatie (vve) aangeboden. Een vve-programma wordt uitgevoerd in een groep van maximaal zestien peuters met twee pedagogisch medewerkers. In veel gemeenten starten kinderen vanaf tweeënhalf jaar met voorschoolse educatie. In sommige gemeenten is de beginleeftijd twee jaar.
Ontwikkelingsfasen en het brein
Er zijn meerdere theorieën over de ontwikkelingsfasen van het kind. Of er een omslagpunt van de ene naar de andere fase valt aan te geven, is onduidelijk. De vraag is of deze ontwikkelingstheorieën wel wetenschappelijk te onderbouwen zijn.
Jonge kinderen tussen nul en drie jaar bevinden zich in de vatbaarste fase van hun ontwikkeling. Dat komt door de grote plasticiteit van het brein in de eerste levensjaren. Vroege interventies in die periode hebben de potentie om de latere ontwikkeling van het kind te beïnvloeden en het kind te beschermen tegen risicofactoren waarin het opgroeit. Ontwikkelingsstimulering en ervaringen in de leefomgeving van het jonge kind beïnvloeden de groei van de hersenen. Vve-programma’s bieden een structuur voor ontwikkelingsstimulering.
Optimale startleeftijd voor ontwikkeling in een groep
Het aanbieden van voorschoolse educatie aan kinderen tussen de twee en drie jaar is het voordeligst voor hun cognitieve, sociale en taalontwikkeling; op korte en op lange termijn. Een optimaal moment in die periode is niet aan te geven. Wel is een langere loopduur van het vve-programma het bevorderlijkst voor de ontwikkeling van kinderen. Een beginleeftijd van twee jaar zorgt ervoor dat kinderen langer profiteren van een vve-programma, dan wanneer ze een half jaar later instromen.
In Noorwegen is daar onderzoek naar gedaan. Kinderen uit lage sociaal-economische milieus die vanaf anderhalf jaar voorschoolse educatie volgen, hebben op driejarige leeftijd betere taalvaardigheden ontwikkeld dan kinderen die niet aan voorschoolse educatie deelnemen. Vroege deelname aan voorschoolse educatie verkleint de taalvaardigheidsverschillen tussen kinderen van hoge en lage sociaal-economische milieus. Kinderen kunnen zich dus al voor hun tweede levensjaar ontwikkelen in groepen.
Effect van vroege interventie staat of valt met kwaliteit
De effecten van vroege interventies hangen sterk samen met de kwaliteit van de voorschoolse educatie. In Noorwegen bijvoorbeeld is de kwaliteit gewaarborgd door een raamwerk voor de pedagogische en educatieve inhoud. Daarnaast moet minimaal dertig procent van de pedagogisch medewerkers een drie jaar durende universitaire opleiding hebben afgerond in Early Childhood Education and Care. De groepen met kinderen onder de drie jaar bestaan doorgaans uit negen kinderen met drie pedagogisch medewerkers; een ratio van 1:3.
In Nederland – zie het Besluit Kwaliteit Kinderopvang – is voor kinderen van één tot twee jaar de ratio 1:5 en voor twee tot vier jaar 1:8. Er zijn geen voorwaarden voor een minimum aantal universitair opgeleide pedagogisch medewerkers per locatie.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Sanne Spiero (antwoordspecialist) en Sandra Beekhoven (kennismakelaar Kennisrotonde).