Heeft de inzet van de theorie over meervoudige intelligentie invloed op leerresultaten van leerlingen?

Geactualiseerd: 8 februari 2024

Om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen, maakt een aantal scholen gebruik van de theorie over meervoudige intelligentie. Er zijn beperkte aanwijzingen dat aandacht voor meervoudige intelligentie gunstig werkt bij wiskunde en biologie in het voortgezet onderwijs. Naar het effect van meervoudige intelligentie op de leerresultaten in het onderwijs is weinig deugdelijk wetenschappelijk onderzoek gedaan. Of de theorie invloed heeft op de leerresultaten weten we dus niet. Er zijn andere, wél met onderzoek onderbouwde manieren om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen.

Gepubliceerd:

De theorie over meervoudige intelligentie is geïntroduceerd door Howard Gardner. Op basis van hersenonderzoek en onderzoek in leersituaties onderscheidt hij acht vormen van intelligentie. Dit zijn: linguïstische, logisch/mathematische en ruimtelijke intelligentie (die samen in traditionele IQ-tests worden gemeten) en verder muzikale, lichamelijke/kinesthetische, interpersoonlijke, intrapersoonlijke en naturalistische intelligentie. Gardner gaat er vanuit dat ieder mens een persoonlijk profiel van sterk en minder sterk ontwikkelde intelligenties heeft. Er is echter kritiek op de theoretische en empirische onderbouwing. Ook wordt het onderscheid tussen de veronderstelde intelligenties bekritiseerd, net als het weglaten van een aantal andere mogelijke intelligenties. Daarnaast is er kritiek op de term intelligentie. In de omschrijving van Gardner gaat het eerder om talenten, vermogens of skills.

Toepassing in het onderwijs

De aandacht voor meervoudige intelligentie kan mede gezien worden binnen de actuele belangstelling voor neurowetenschappen en zogeheten neuromythes. Het gaat hier om onjuiste interpretaties van wetenschappelijke kennis, die uitmonden in misvattingen over het functioneren van de hersenen en wat dat betekent voor onderwijs en opvoeding. De aandacht voor MI komt ook doordat scholen recht willen doen aan verschillende talenten van leerlingen en om bijvoorbeeld kinderen met een laag ‘traditioneel’ IQ zichtbaar te laten uitblinken op andere vlakken.

Verschillende MI-testen zijn beschikbaar om persoonlijke meervoudige intelligentie-profielen te bepalen. De validiteit van die testen is echter beperkt, mede door de gebrekkige onderbouwing van de theorie. Er zijn ook geen aanwijzingen dat leerlingen met verschillende MI-profielen verschillend leren of dat bij verschillende meervoudige intelligentie-profielen verschillende instructiestijlen passen.

Effectonderzoek

Hoewel Gardners theorie veel scholen inspireert tot aanpassingen in hun onderwijs, is het onduidelijk wat er dan precies (anders) gebeurt in de klas en hoe zich dat verhoudt tot het eerder gebruikte aanpakken. Voor zover (effect)onderzoek naar de inzet van meervoudige intelligentie beschikbaar is, is de interpretatie ervan lastig. Er ontbreken namelijk vaak vergelijkingsgroepen en statistische maten voor significantie van voor- en nametingen. Ook is veelal onduidelijk waarvan de gemeten resultaten precies een effect zijn.

Er zijn wel enige aanwijzingen dat aandacht voor meervoudige intelligentie gunstig werkt bij wiskunde en biologie in het voortgezet onderwijs. Zo zou het probleemoplossend vermogen van studenten erbij gebaat zijn. Onderzoek naar het effect van meervoudige intelligentie op leerresultaten in het primair onderwijs is te gering gedaan om iets te kunnen zeggen over een mogelijk effect.

Adaptief onderwijs 

Zoals gezegd kan aandacht voor meervoudige intelligentie gezien worden als een manier om recht te doen aan verschillen tussen leerlingen. Maar recht doen aan verschillen kan op meer manieren dan via aandacht voor meervoudige intelligentie. Onderzoek laat zien dat adaptief onderwijs – op basis van een verbreding van het handelingsrepertoire van leraren, grotere diversiteit aan lesmaterialen en dergelijke – bijdraagt aan de ontwikkeling van leerlingen. Leraren zouden zichzelf op dat vlak moeten professionaliseren om effectief te kunnen zijn. Een aantal van deze aanpakken is onderwerp van effectonderzoek. In het uitgebreide antwoord vind je bij ‘Meer weten’ een aantal actuele links naar dit brede onderzoeksterrein.

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Niek van den Berg (kennismakelaar Kennisrotonde), update Judith Amels (kennismakelaar Kennisrotonde).

Lees het volledige rapport inclusief geraadpleegde bronnen


Ga je het antwoord gebruiken in het onderwijs?
Wat vind je van de leesbaarheid van het antwoord?

Privacyverklaring

Wij gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens. Lees hierover meer in onze privacyverklaring.

Gerelateerde vragen

    Geactualiseerd: 28 juni 2024

    Aparte activiteiten voor hoogbegaafde leerlingen hebben meestal een positief effect op hun prestaties. Niet voor alle domeinen en vakken leiden aanpassingen echter tot een verbetering. Goed onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen, en eigenlijk voor alle leerlingen, vraagt naast een focus op cognitieve prestaties ook om de juiste begeleiding en leraren met expertise op dit terrein. De benodigde begeleiding hangt af van de beginsituatie van de leerling. Onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen begint idealiter met het in kaart brengen van de cognitieve, sociaal-emotionele, en ontwikkel- en leervaardigheden. Als het onderwijs qua inhoud, organisatie en pedagogisch-didactische begeleiding hierbij aansluit, zijn (hoogbegaafde) leerlingen het best geholpen.

    Lees meer