Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag.
Vóór groep 3 kan er dus een goede basis worden gelegd, wat ook kinderen met risico op leesproblematiek ten goede komt. In groep 3 groeien kinderen hierin verder door veel oefeningen en een veelzijdig aanbod. Ook duidelijke expliciete instructie en feedback helpen een kind te leren lezen, evenals een stimulerende leeromgeving.
Het leren spreken, lezen en schrijven van een taal begint met ‘linguïstisch bewustzijn’. Er is onderscheid tussen morfologisch, orthografisch en fonologisch bewustzijn. Deze hebben invloed op elkaar, groeien simultaan, en dragen bij aan de ontwikkeling van leesvaardigheid.
Morfologisch bewustzijn is kennis van de kleinste betekenisvolle woorden of delen van woorden, en draagt bij aan de woordenschat. Fonologisch bewustzijn is het besef dat woorden gevormd worden door individuele klanken, en deze kunnen benoemen (hakken: bal, /b/ /a/ /l/). Fonologisch bewustzijn hangt al op jonge leeftijd sterk samen met latere leesprestaties. Maar orthografisch bewustzijn, de bekendheid met letters en de corresponderende klanken, is ook erg belangrijk voor de latere leesvaardigheid.
Vloeiend lezen
Kinderen leren woorden lezen door onder andere decoderen en herkenning. Decoderen is het leren koppelen van (groepen) letters met de corresponderende klanken. Dit is wat kinderen aanleren naarmate hun letterkennis en fonologisch bewustzijn groeit. Snel en vloeiend lezen wordt pas mogelijk als kinderen woorden in één oogopslag herkennen. Wat pas kan wanneer kinderen voorheen een woord frequent hebben gezien en gedecodeerd. Dit is het proces van automatiseren, waar in veel lesmethodes de focus op ligt.
Praktische implicaties
Fonologisch en orthografisch bewustzijn dragen sterk bij aan de ontwikkeling van leesvaardigheid. En vloeiend leren lezen gebeurt door automatisering. Omdat deze vermogens al rond de kleuterjaren voorspellend zijn voor latere leesprestaties, is tijdige, goede instructie van groot belang. Wat houdt dit in voor de praktijk?
Een belangrijke eerste stap is natuurlijk het aanleren van (de namen van) letters. Een advies is al in de kleuterklassen te beginnen met bewustzijn ontwikkelen van klanken in spraak en de samenhang met letters. Hiertoe kan worden geoefend door klassikaal voor te lezen, lettergrepen of woorden te tellen, rijmen, begin-medeklinkers van woorden te onderscheiden en woorden te bouwen (klanken samenvoegen). Ook andere vaardigheden als boeken hanteren (letterlijk: hoe vast te houden, bladzijden omslaan et cetera), en het ontdekken van normale tekststructuur, leesrichting en spraakritmes zijn hier belangrijk. Oefeningen in deze fase zijn al extra gunstig voor kinderen met verhoogd risico op leesproblematiek.
Letters en schrijven
Vervolgens – en dit is rond de leeftijd van 5-7 – is het advies meer op de letters en schrijven te focussen: decoderen en woordherkenning. Bekende oefeningen hiervoor zijn bijvoorbeeld hakken, rijgen, spelen met non-woorden en zelfbedachte spelling, en samen lezen en luisteren. Goede instructie over bijvoorbeeld diftongen (tweeklanken, zoals ‘ui’) en veelvoorkomende morfemen (deel van een woord met een eigen betekenis, zoals ‘on-‘) is hier ook erg belangrijk.
Normaliter zal gaandeweg decoderen steeds vaker gebeuren met clusters van letters (‘st-erk’ in plaats van ‘s-t-e-r-k’), met name wanneer letters vaak samen voorkomen. Dit is onderdeel van het vloeiend leren lezen door automatische visuele herkenning.
Overige aanbevelingen
Idealiter bieden leraren leerlingen expliciete instructie en duidelijke consistente feedback. Ook bieden zij de lesstof op veel verschillende manieren aan, en wordt er veel geoefend en herhaald. Leraren staan model voor de leerlingen. Hardop nadenken heeft ook meerwaarde. Letters aanleren met meerdere zintuigen en vormen (schrijven, gebaren, kleien, zingen) komt het leerproces erg ten goede. Daarnaast is het advies te zorgen voor een schrijf-rijke omgeving, waar leerlingen gevarieerde mogelijkheden hebben om het schrijven te oefenen. Dat kan bijvoorbeeld met computers, digiboards, pen en papier, kleurspullen en markeerders, maar ook dingen als woordenboeken, leesboeken en post-its.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Peter Noort (kennismakelaar). Hij heeft hiertoe Martine Gijsel (Taalontwikkeling & Taaldidactiek) en Lydia Noort-Trul (Kentalis) geconsulteerd.