Probleemgedrag van leerlingen is lastig voor de leraar, voor hun klasgenoten en voor henzelf. Dergelijk gedrag belemmert de eigen ontwikkeling van de leerling en verstoort het leerklimaat voor andere leerlingen. Afhankelijk van de ernst van de problematiek spreken we van gedragsproblemen of -stoornissen. Voorbeelden van gedragsproblemen zijn zich verzetten, agressief zijn naar klasgenoten en de leraar, en brutaal of impulsief reageren. Gedragsstoornissen, zoals aanhoudend negatief, opstandig, vijandig of agressief gedrag, zijn ernstiger; ze beperken het dagelijks functioneren.
Cognitieve gedragstherapie voor jongeren en voor ouders
Cognitieve gedragstherapie is de effectiefste behandeling van jongeren met gedragsproblemen of –stoornissen. Uitgangspunt is dat wat jongeren voelen en hoe ze zich gedragen, samenhangt met wat zij denken; dit worden cognities genoemd. In zo’n therapie worden irrationele cognities ontkracht. De jongeren leren bijvoorbeeld om vanuit een ander perspectief naar een situatie te kijken. In het verlengde daarvan ervaren ze dat ze op een andere manier kunnen reageren. Deze therapie ontwikkelt vooral vaardigheden als zelfcontrole en agressieregulatie. Daarnaast stimuleert het bij jongeren sociale vaardigheden en probleemoplossend vermogen. Deze aanpak is geschikt voor jongeren vanaf twaalf jaar, met voldoende cognitieve capaciteiten. In aanvulling op een oudertraining is deze vorm van gedragstherapie ook mogelijk bij kinderen vanaf een jaar of acht.
Voor de jongste kinderen met gedragsproblemen zijn oudertrainingen een effectief middel om probleemgedrag terug te dringen. Uitgangspunt van die interventies is dat bij kinderen onder de acht jaar meer gedragsverandering wordt bereikt door het trainen van opvoedingsvaardigheden bij ouders, dan door het trainen van de kinderen zelf. Het gaat dan vooral om het versterken van een positieve interactie tussen ouder en kind, en het ontwikkelen van emotionele communicatievaardigheden. Ouders leren in de omgang met hun kind een time-out te gebruiken en ze leren het belang van consistent opvoeden.
Cognitieve gedragstherapeutische interventies
Afhankelijk van de aard en de ernst van de gedragsproblemen leren jongeren bij deze interventies bepaalde cognitieve vaardigheden. Daarbij gaat het om eerst nadenken en dan een beslissing nemen, alternatieve oplossingen bedenken en consequenties evalueren. Een andere aspect is cognitieve herstructurering, waarbij de jongeren oefeningen doen gericht op het herkennen en aanpassen van denkfouten.
De therapie richt zich op het versterken van probleemoplossende en sociale vaardigheden. Jongeren leren omgaan met conflicten en groepsdruk, rustig te reageren en ‘nee’ te zeggen. Ook het formuleren van een eigen mening heeft de aandacht. Daarnaast gaat het om training in prosociaal gedrag, andermans gevoelens in acht nemen en sociale omgang juist interpreteren.
Andere onderdelen van cognitieve gedragstherapie zijn het herkennen van boosheid en vervolgens daar controle over uitoefenen, moreel redeneren en terugvalpreventie. Bij dat laatste leren jongeren situaties te herkennen waarin zij een hoog risico lopen op terugval en hoe ze die terugval kunnen stoppen.
Executive functies en probleemgedrag
Er is een sterke samenhang tussen executive functies en probleemgedrag bij jonge kinderen. Executieve functies zijn vaardigheden die nodig zijn om nieuwe en complexe informatie te verwerken. Voorbeelden zijn prioriteiten stellen, activiteiten plannen en zich daar ook aan houden, en het vermogen het effect van het eigen handelen te overzien. Het versterken van die vaardigheden kan probleemgedrag terugdringen of voorkomen.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Edith van Eck (kennismakelaar Kennisrotonde).