Technische leesvaardigheid en passieve woordenschat zijn, samen met begripsvaardigheden, essentiële onderdelen van het leren lezen. Die relatie is wederkerig. Zowel het aantal woorden dat een leerling kent, als wat hij weet over een woord (vorm, betekenis en gebruik) draagt bij aan het snel en accuraat leren lezen van woorden. Daarnaast kan een leerling door technisch lezen nieuwe woorden leren. En er ontstaat ruimte in het werkgeheugen van de leerling om aandacht te besteden aan de betekenis van woorden en aan tekstbegrip.
Leerlingen met een Autisme Spectrum Stoornis hebben vaak problemen bij begrijpend lezen. Wat die leerlingen kan helpen zijn graphic organizers, ondersteuning in verwijswoorden, vragen beantwoorden, groepswerk en directe instructie. Aangezien de populatie leerlingen met een Autisme Spectrum Stoornis zeer divers is, zijn er geen algemeen geldende uitspraken te doen over effectieve instructie en begeleiding.
Er is nog onvoldoende bekend of leerlingen beter een Augmented Reality-bril (AR-bril) kunnen gebruiken dan een AR-toepassing op een device om 2D-werktekeningen te begrijpen. Ook voor vmbo-techniekleerlingen met een beperkter ruimtelijk inzicht is de meerwaarde niet bekend. De theorie over cognitieve belasting voorspelt wel dat de AR-bril leerlingen met een zwakker visueel-ruimtelijk werkgeheugen en zwakker voorstellingsvermogen beter zal ondersteunen bij het begrijpen en de beeldvorming van een 3D-bouwobject. De theorie zegt echter niet dat deze leerlingen dan ook beter worden in het zelf lezen van 2D-werktekeningen.
De werkdruk die leerlingen ervaren neemt toe. Mogelijke oorzaken zijn veranderingen in de samenleving (prestatiemaatschappij), op school (veel huiswerk en toetsen) en in tijdbesteding (bijbaantjes). Ook de sociale druk is groot. Scholen kunnen leerlingen ondersteunen met onder meer stressmanagementprogramma’s en betere communicatie rond toetsen. Verder zijn leerlingen geholpen met leren plannen en het maken van proeftoetsen. Een latere start van lessen en toetsen sluit beter aan bij het bioritme van leerlingen en kan het gevoel van werkdruk verminderen.
Uit Europees onderzoek naar voorschoolse educatie en opvang komt naar voren dat een startleeftijd tussen de twee en drie jaar oud het voordeligst is voor de cognitieve, sociale en taalontwikkeling van kinderen. In Noorwegen zijn de effecten onderzocht bij kinderen die al vanaf anderhalf jaar oud met een vve-programma starten. Deze jonge kinderen profiteren van de ontwikkelingsstimulering in kleine groepen. De effecten van ontwikkelingsstimulering in groepen hangen overigens sterk samen met de kwaliteit van de aangeboden voorschoolse educatie.
Geactualiseerd: 3 februari 2023
Verschillen in motorische ontwikkeling tussen links- en rechtshandige kinderen nemen in de loop der tijd vanzelf af of verdwijnen. Er zijn dan ook geen interventies nodig om specifiek de motorische ontwikkeling van linkshandige kleuters te bevorderen. Als het duidelijk is dat een kind linkshandig is, is het verstandig om linkshandig voor te doen en om begrip te tonen voor de moeite die het kind moet doen om de handelingen van rechtshandigen na te doen.
Vooral toetsscores op begrijpend lezen en op rekenen-wiskunde uit het leerlingvolgsysteem in het basisonderwijs zijn belangrijke voorspellers voor de onderwijsloopbaan van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Scores op spelling zijn daarvoor minder relevant, afgaand op het beperkt beschikbare onderzoek dat ernaar is gedaan. De toetsscores kunnen leraren helpen bij het opstellen van hun schooladvies aan leerlingen uit groep 8.
Het aandeel werknemers dat te maken heeft met hoge taakeisen is in het primair onderwijs hoger dan in het voortgezet onderwijs. Ook emotioneel zwaar werk en lastige taken komen in het primair onderwijs iets vaker voor. Werkenden in het primair onderwijs hebben bovendien minder mogelijkheden om zelfstandig beslissingen te nemen over de uitvoering van hun werk. Ondanks deze verschillen in werkdruk is het aandeel werknemers met burn-outklachten in het primair onderwijs lager dan in het voortgezet onderwijs. De verzuimpercentages in beide onderwijssectoren wijken niet erg van elkaar af.
Een goede onderzoeksvraag is relevant voor de praktijk, verankerd in de theorie, precies geformuleerd, functioneel en consistent. Veel studenten vinden het moeilijk om tot een goede onderzoeksvraag te komen, in interactie met betrokkenen in de praktijk en gebruikmakend van theorie. Studenten hebben hiervoor verschillende soorten kennis, vaardigheden en houdingsaspecten nodig. Er is nauwelijks effectonderzoek gedaan naar manieren waarop lerarenopleiders hen daarbij het best kunnen begeleiden. Er zijn wel verschillende onderbouwde werkvormen die kunnen helpen en de dialoog kunnen stimuleren tussen begeleiders, studenten onderling en betrokkenen uit de praktijk, zoals de 5W+H-methode.
Om een samenhangend beeld te vormen van een tekst leggen leerlingen verbanden binnen de tekst, en tussen de tekst en hun achtergrondkennis. Leerkrachten kunnen leerlingen hierin stimuleren door het stellen van inhoudsgerichte vragen tijdens of na het lezen. Uit onderzoek is niet duidelijk of leerlingen de tekst wel of niet eerst in zijn geheel moeten lezen. Wel is het effectief om leerlingen samen, in de vorm van rolwisselend lezen, de teksten en bijbehorende vragen te laten behandelen.