De fitheid van leerlingen is van invloed op hun schoolprestaties. Leerlingen met een goed uithoudingsvermogen halen betere resultaten op taal- en rekentoetsen. Mentale gezondheidsproblemen hangen samen met lagere schoolprestaties. Er zijn meerdere interventies voor scholen om aan de fitheid van leerlingen te werken, waarvan enkele met succes: fittere leerlingen. Over effecten van de interventies op schoolprestaties is echter weinig bekend. Een enkele keer spelen ouders een rol in die interventies. Dat verhoogt hun betrokkenheid, maar onduidelijk is of dat het effect van de interventies versterkt.
Of een leerkracht de afname- en beoordelingsprocedure van een dictee mag aanpassen bij dyslectische leerlingen hangt af van het doel. Als de leerkracht de leerling wil vergelijken met andere leerlingen in de klas of met een landelijke norm, zijn wijzigingen niet toegestaan. Wil de leerkracht het dictee als formatieve toets gebruiken, om de leerling verder te helpen in het leren, dan zijn wijzigingen wel mogelijk. Het verdient aanbeveling om op schoolniveau door de leerjaren heen dezelfde wijzigingen toe te passen. Alleen dan is het namelijk mogelijk om resultaten van de leerling met eerdere resultaten te vergelijken.
Geactualiseerd: 8 mei 2024
Experts zijn behoorlijk eensgezind: het maakt niet uit of een leerkracht in een schoolrapport cijfers of woorden als ‘voldoende’ of ‘ruim voldoende’ gebruikt. Het gaat erom dat de rapportage begrijpelijk is en dat de leerling weet hoe hij zijn leren kan verbeteren. Daarvoor heeft hij een duidelijk beeld nodig van de kwaliteit van zijn werk. Een dialoog tussen leraar en leerlingen over kwaliteit kan bijdragen aan een versterking van dit beeld. Onderzoek naar het effect op leerlingen van cijfers of woorden als rapportageschaal is nauwelijks gedaan.
Om leerlingen effectief te laten leren van spel in hoeken is het nodig regels op te stellen voor het hoekenwerk en er voor te zorgen dat leerlingen zich betrokken voelen. Binnen de gestelde kaders moeten leerlingen zelf kunnen bepalen hoe zij hun spel spelen. Drie factoren zijn van invloed op de kwaliteit van het spel: de speelomgeving, de interactie tussen de leerlingen onderling en de interactie met de leerkracht. Een leerkracht bereikt meer met spelend leren als de leerdoelen aansluiten bij de ontwikkeling van de individuele leerling.
Leraren hebben met verschillende didactische en pedagogische interventies invloed op het klimaat in de klas. Voorbeelden zijn instellen van gedragsregels, toewijzen van zitplaatsen, praten met ordeverstoorders, ingrijpen bij pestgedrag, en leerlingen laten werken aan groepstaken. De samenstelling van een klas heeft doorgaans weinig invloed op klimaat en leerprestaties. Veranderen van de groepssamenstelling kan mogelijk wel helpen als het werk- en leerklimaat verstoord is en interventies in de bestaande klas niet voldoende opleveren. Onderzoek hiernaar ontbreekt echter.
Werkzame kenmerken van afstandsonderwijs zijn constructieve doelgerichte dialoog tussen student en docent, een goede en flexibele structuur van het programma en gevoel van autonomie bij de student. Online-onderwijs gecombineerd met face-to-face momenten (blended onderwijs) lijkt effectiever te zijn dan alleen online- of face-to-face-onderwijs. Dit blijkt in elk geval voor in het hoger onderwijs en volwassenenonderwijs. Over effectiviteit en kenmerken van afstandsonderwijs specifiek in het mbo is weinig bekend.
Onderwijs in combinatiegroepen 1-2 lijkt minder gunstig te zijn voor de cognitieve ontwikkeling van kleuters, vooral de oudere kleuters in de groep. Voor oudere kleuters zijn aparte jaargroepen beter. Het verschil zit hem in de instructietijd en de kwaliteit van interacties tussen leerkracht en leerlingen, die zijn beter in jaargroepen dan in combinatiegroepen. De effecten van combinatiegroepen op de sociale ontwikkeling zijn niet eenduidig. Sommige onderzoeken vinden geen verschil met jaargroepen. Volgens ander onderzoek hebben combinatiegroepen een positieve invloed op het spel van leerlingen en zijn er minder conflicten dan in jaargroepen.
Een leerling is volgens Vervaet en sommige andere onderzoekers leesrijp als hij woorden van 3 of 4 letters kan lezen en bij het schrijven niet spiegelt en/of verwisselt. Volgens de onderliggende theorie dienen leerlingen die nog niet leesrijp zijn nog geen lettertekens aangeboden te krijgen. De verklaringen hiervoor hebben hun grondslag in de ontwikkelingspsychologie. Er zijn geen experimentele studies die dit onderbouwen. Er is wel empirische onderbouwing voor het belang van een uitdagende geletterde omgeving in groep 1 en 2 en het gericht bevorderen van fonemisch bewustzijn en klank-tekenkoppelingen in de kleutergroepen.
Door verhoging van de leesmotivatie zal de leesfrequentie bij leerlingen in het voortgezet onderwijs toenemen en daarmee ook hun leesvaardigheid. Een hogere leesvaardigheid vergroot de kansen op een goede schoolcarrière. Een schoolbreed leesbevorderingsbeleid draagt bij aan leesmotivatie. Belangrijk onderdeel daarvan is het aanbieden van een grote variatie aan boeken – fictie en non-fictie – rekening houdend met de behoeften en belangstelling van alle leerlingen. Verder helpt het als de vakleraren de leerlingen begeleiden in het lezen.
Bij het integreren van taal in andere vakken ligt de nadruk op lezen en schrijven. Kennis van tekstsoorten, structuren en verbanden dragen bij aan tekstbegrip en schrijven. Ook achtergrondkennis en woordenschat zorgen daarvoor. Goed tekstbegrip leidt tot meer toegang tot en opbouw van kennis in de andere vakken. De ontwikkeling op een bepaald taaldomein, bijvoorbeeld lezen, heeft ook een positief effect op andere taaldomeinen, zoals schrijven en spreken.