Buitenspelen kan zorgen voor minder stress, betere sociale vaardigheden en meer zelfvertrouwen en veerkracht. Door kinderen vaker en langer te laten pauzeren in de open lucht en ze daarbij vrij te laten spelen, zorg je als school voor hun algehele ontwikkeling en welzijn.
Het effect van School Wide Positive Behavior Support op hoogbegaafde leerlingen met een lage sociaal-economische status is niet specifiek onderzocht. Er zijn aanwijzingen dat hoogbegaafde leerlingen vooral graag worden betrokken bij het opstellen van regels en gedragsverwachtingen. School Wide Positive Behavior Support kan hierin voorzien, maar of dit direct leidt tot een positief leerklimaat is niet bekend.
Er is geen bewijs dat kinderen zich beter kunnen concentreren als ze in de kring op de grond zitten, in plaats van op een stoel. Er zijn wel aanwijzingen dat een oncomfortabele stoelzit de concentratie kan schaden. En dat een actieve zit de concentratie kan verbeteren, zoals op een wiebelkussen of zitbal. We weten uit onderzoek niet of kleuters last of baat hebben van op de grond zitten als ze naar groep 3 gaan.
Er is nog geen sterk bewijs dat gebruik van generatieve artificiële intelligentie leidt tot betere of slechtere informatievaardigheden. Het kan voor studenten een hulpmiddel zijn bij lessen in informatievaardigheden, bijvoorbeeld om gestructureerde zoekopdrachten of onderzoeksvragen te formuleren. Dan is het wel nodig dat studenten kennis hebben over AI en haar beperkingen. Docenten kunnen studenten ‘AI-geletterder’ maken door ze te leren output kritisch te beoordelen en effectieve prompts te formuleren.
Leraren kunnen met verschillende interventies de executieve functies van leerlingen met ADHD of een autismespectrumstoornis (ASS) verbeteren. Een aantal van deze aanpakken laten positieve effecten zien, zoals mindfulness, lichaamsbeweging, cognitieve trainingen en digitale oefeningen. Maar die effecten zijn niet altijd blijvend. Ook is niet altijd duidelijk in hoeverre leerlingen er ook buiten de oefensetting, in het dagelijks leven, baat bij hebben.
Er zijn aanwijzingen dat vmbo-scholen hun burgerschapsonderwijs anders invullen dan havo/vwo-scholen. In havo/vwo lijken docenten iets meer prioriteit te geven aan kritisch denken en bijdragen aan maatschappelijke veranderingen. In het vmbo vinden docenten vaker (ook) aanpassing, discipline en sociale competenties belangrijk. Havo/vwo-leerlingen ervaren in de klas meer ruimte voor discussie dan vmbo’ers. En ze geven vaker aan dat ze meedoen met besluitvormingsprocessen op school.
Of zwakkere lezers in groep 3 baat hebben bij korte en afwisselende uitleg en leesoefeningen weten we eigenlijk niet. Daar is nauwelijks onderzoek naar gedaan. In het algemeen helpt meer leestijd wel om leerlingen beter te leren lezen. Verder is het belangrijk om aandachtsproblemen bij kinderen vroeg te signaleren: om goed te leren lezen moet je je goed kunnen concentreren. Kinderen die daar moeite mee hebben kun je dan eerder gericht helpen.
Vingertellen expliciet stimuleren in de onderbouw om rekentaken op te lossen is effectief voor het getalbegrip en (de automatisering van) optel- en aftrekvaardigheden van leerlingen. In loop van de tijd is vingertellen in de middenbouw daarvoor niet meer effectief. Het gebruik van de vingers sluit dan niet meer aan bij de verwachte rekenontwikkeling. Het laat zien dat de leerlingen de overstap naar het mentale rekenen nog niet hebben gemaakt.
Deze vraag is alleen indirect te beantwoorden, want bij ISK-leerlingen is niet onderzocht of ze de Nederlandse taal beter leren door de combinatie van thuistaal en doeltaal. Bij volwassen nieuwkomers en meertalige vo-leerlingen is wel bekend wat helpt om Nederlands te leren. Namelijk door hun taalbewustzijn te verhogen en door in het onderwijs ruimte te maken voor meer talen. Maar ook door de thuis- en de doeltaal te gebruiken om deelvaardigheden zoals woordenschat, schrijven of lezen aan te leren. Of hun vakinhoudelijke kennis hierdoor ook toeneemt, is weer niet onderzocht.
Sommige leerlingen die Nederlands als tweede taal leren (NT2-leerlingen) spreken niet veel in het Nederlands, en oefenen daardoor weinig. Dat kan bijvoorbeeld komen door angst om in een andere taal te spreken of door cultuurverschillen. Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar de spreekvaardigheid van stillere NT2-leerlingen. Algemenere aanbevelingen om spreekvaardigheid te bevorderen gelden mogelijk ook voor deze groep. Zo dienen leraren een veilig spreekklimaat in de klas te creëren. Daarnaast kunnen leraren zorgen dat alle leerlingen veel mogelijkheden krijgen om te spreken en hun veel feedback geven.