Fouten maken hoort bij het leren van een tweede taal. Maar sommige fouten duiden op een onderliggende leerstoornis, zoals dyslexie. Bij volwassen NT2-leerders zijn problemen met het fonologisch bewustzijn een mogelijke indicatie van dyslexie. Ook andere factoren kunnen meespelen bij lees-en spelfouten, zoals laaggeletterdheid in de eerste taal, een beperkte Nederlandse woordenschat en klankverschillen tussen de eerste en tweede taal.
Of zwakkere lezers in groep 3 baat hebben bij korte en afwisselende uitleg en leesoefeningen weten we eigenlijk niet. Daar is nauwelijks onderzoek naar gedaan. In het algemeen helpt meer leestijd wel om leerlingen beter te leren lezen. Verder is het belangrijk om aandachtsproblemen bij kinderen vroeg te signaleren: om goed te leren lezen moet je je goed kunnen concentreren. Kinderen die daar moeite mee hebben kun je dan eerder gericht helpen.
Er is geen onderzoek bekend naar het verschil tussen schrijven of typen bij basisschoolleerlingen voor diepe informatiewerking en ook niet bij leerlingen met ernstige spellingproblemen. Bij leerlingen in het basisonderwijs speelt de mate van automatisering van typen of schrijven wel een grote rol. Als automatisering van typen (door geringe ervaring) of schrijven (bijvoorbeeld door ernstige spellingproblemen) onvoldoende tot stand is gekomen, is het voor leerlingen moeilijker om zich te focussen op relevante informatie.
Leerlingen met hardnekkige lees- en spellingproblemen, al dan niet gediagnosticeerd als dyslexie, kunnen baat hebben bij fonologische spellingbehandeling. Deze behandeling richt zich op het expliciet aanleren van de klankstructuur van woorden en strategieën om de juiste klank-tekenkoppelingen te maken. Vooral zeer zwakke spellers kunnen zodoende opklimmen tot een gemiddeld niveau.
Voor jonge lezers zijn grote letters prettiger. Verder zijn voldoende afstand tussen de letters en een hoog contrast tussen letter en achtergrond van belang. Dit maakt het lezen makkelijker voor alle leerlingen, of ze nu dyslectisch zijn of niet. Verschillen tussen de meeste lettertypes zijn verwaarloosbaar. Speciale dyslexie-lettertypes zijn niet effectiever. Het is aan te bevelen standaard lettertypes te gebruiken in hun standaardinstelling. Of het lezen van een digibord verschilt van lezen van papier, is niet bekend.
Leerlingen met dyslexie kunnen ook bij rekenen problemen ondervinden. Deels komt dat door tekortkomingen in de benoemsnelheid, het fonologisch bewustzijn en verbaal werkgeheugen. Directe instructie en aanvullende interventies kunnen helpen bij de automatisering van de basisbewerkingen. Onderzoek naar het effect van ondersteuningskaarten is niet bekend. Maar het aanbieden van geheugensteuntjes blijkt wel een effectieve ondersteuning te zijn, omdat die het opslaan en oproepen van informatie vergemakkelijken en het geheugen ontlasten.
Of een leerkracht de afname- en beoordelingsprocedure van een dictee mag aanpassen bij dyslectische leerlingen hangt af van het doel. Als de leerkracht de leerling wil vergelijken met andere leerlingen in de klas of met een landelijke norm, zijn wijzigingen niet toegestaan. Wil de leerkracht het dictee als formatieve toets gebruiken, om de leerling verder te helpen in het leren, dan zijn wijzigingen wel mogelijk. Het verdient aanbeveling om op schoolniveau door de leerjaren heen dezelfde wijzigingen toe te passen. Alleen dan is het namelijk mogelijk om resultaten van de leerling met eerdere resultaten te vergelijken.
De meeste leerlingen met dyslexie lezen niet sneller en accurater met een groter beeldscherm. Sterker, sommigen hebben juist baat bij een kleiner beeldscherm. Het verbeteren van het lezen zit vooral in extra ruimte tussen de letters. Bij bijvoorbeeld een e-reader zijn vaak slechts enkele woorden op een regel zichtbaar, net als bij een krantenkolom. Dit leidt leerlingen minder af. Dit voordeel kan mogelijk ook bereikt worden door een beeldscherm in de portretstand te zetten of door kortere regels op het scherm in te stellen.
Afwijkende fixatie disparatie en afwijkende oogsprongen kunnen samenhangen met dyslexie, maar het is niet zeker dat deze afwijkingen dyslexie veroorzaken. Verschillen in oogbewegingen en fixatie disparatie bij leerlingen met dyslexie lijken eerder een gevolg te zijn van verwerkingsproblemen van geschreven tekst. Er is weinig overtuigend bewijs gevonden voor de effectiviteit van behandelingen om deze afwijkingen bij leerlingen met leesproblemen of dyslexie te verhelpen.
Dyslexie is een probleem waardoor mbo-studenten mogelijk niet vlot of geautomatiseerd kunnen lezen en/of niet accuraat spellen. Studenten met dyslexie hebben baat bij taal gerelateerde ondersteuning, zoals auditieve ondersteuning, wat bewezen effectief is. Ook verlenging van examentijd en ict-ondersteuning zijn mogelijk effectief. Daarnaast is aandacht voor zelfredzaamheid gewenst. Het protocol dyslexie mbo biedt concrete handreikingen voor de begeleiding van studenten met dyslexie.