De deelname aan niveau 2- en niveau 3-opleidingen neemt de laatste jaren af, terwijl die op niveau 4 toeneemt. Deze trend was al zichtbaar voor de invoering van de Wet vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht tot het mbo. Hierdoor zijn de effecten van deze nieuwe wet op deelnamecijfers niet precies vast te stellen. Mbo-scholen geven aan dat er meer problemen ontstaan in niveau 4. Door de wet moeten zij namelijk vmbo-kaderleerlingen toelaten tot niveau 4, ook wanneer de opleiding verwacht dat de slaagkansen voor de student te klein zijn. In de switch- en uitvalcijfers is dit echter niet terug te zien.
Geactualiseerd: oktober 2024
Er is geen Nederlands onderzoek bekend naar factoren die succesvol opstromen in het voorgezet onderwijs kunnen voorspellen. Onderwijsmobiliteit is kenmerkend voor het Nederlandse onderwijsstelsel; onderwijssystemen in andere landen kennen de mogelijkheid tot opstromen niet. Er is dan ook geen relevant internationaal onderzoek beschikbaar.
Geactualiseerd: oktober 2024
Er is geen Nederlands onderzoek beschikbaar dat inzicht geeft in de effecten van afstromen op de leerprestaties en motivatie van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Vlaams onderzoek laat zien dat de prestaties van leerlingen dalen na afstroom en dat leerlingen tegelijkertijd een positiever beeld krijgen over hun eigen kunnen. Aangezien het basisschooladvies in Vlaanderen niet dwingend is, zoals in Nederland, is onduidelijk of deze effecten zich ook in Nederland voordoen.
Pilots van associate degree-opleidingen lijken er op te wijzen dat de samenwerking tussen mbo- en hbo-docenten hen meer zicht geeft op elkaars opleidingen. Dat zou hen bewegen tot aanpassingen in het programma en de aanpak van de opleidingen, om zo een goede pedagogisch-didactische leeromgeving te bieden. De kenmerken van de opleidingen lijken belangrijker voor het studiesucces van studenten dan de locatie van de opleiding.
Meisjes die meisjesonderwijs volgen denken positiever over bèta/techniekvakken en presteren vaak beter op deze vakken. Dit heeft echter te maken met de kenmerken van de meisjes zelf. Het effect van meisjesonderwijs in vergelijking met gemengd onderwijs is verwaarloosbaar. Of meisjesklassen helpen om meer meisjes in techniekonderwijs te laten instromen is nauwelijks onderzocht. Naar het verminderen van uitval van meisjes in techniekopleidingen is geen onderzoek beschikbaar: de groep meisjes is te klein is om langere tijd te volgen.
Van mentoren wordt verwacht dat zij signalen van dreigende uitval onder studenten herkennen, studenten ondersteunen bij het ontwikkelen van een loopbaanperspectief en bij het aanleren van studievaardigheden. Mentoren bewerkstelligen een goed en veilig klimaat op school en in de klas. Dan ontstaat er ook binding en kunnen studenten in dialoog met betrokkenen reflecteren op hun loopbaan. Zo nodig kunnen mentoren ook externe zorg inschakelen.
Gezien de zorgen over het taalniveau van mbo-studenten en de verschillen in taalgebruik op mbo en hbo adviseert een expertgroep van de MBO Raad specifiek aandacht te hebben voor taal op mbo en hbo. Of en zo ja welk effect dat (samen met andere factoren) heeft op hun studiesucces, zou dan nader onderzocht moeten worden. Want nu is naar de precieze rol van taalvaardigheid bij de doorstroom van mbo naar hbo nog geen onderzoek gedaan. Wel is bekend uit studies onder kinderen en jongeren dat taal invloed heeft op prestaties en uiteindelijk op studiesucces.