Constructivistische rekenmethoden, zoals realistisch reken-wiskundeonderwijs, leveren geen betere resultaten op dan traditionele methoden zoals directe instructie, maar ze doen er ook niet voor onder. De rekenprestaties hangen samen met de kennis en vaardigheden van de leraar, de interactie tussen leraar en leerlingen en de aandacht en tijd voor rekenen-wiskunde. Rekenzwakke leerlingen lijken problemen te ondervinden bij relatief open didactische methoden, omdat zij meer behoefte aan structuur hebben dan betere rekenaars.
Of kleuters al kunnen reflecteren op hun eigen leerproces hangt samen met drie factoren: hun taalvaardigheid, Theory of mind en executieve vaardigheden. Als deze goed zijn ontwikkeld, vergemakkelijkt dat de zelfreflectie. Kleuters kunnen het beste onmiddellijk na een activiteit reflecteren. Verder terugkijken is voor hen moeilijk, omdat hun episodisch geheugen daarvoor onvoldoende is ontwikkeld. Als hulpmiddel kunnen leraren een jonge leerling laten kijken naar een video waarin het kind zelf een bepaalde activiteit uitvoert. Daar kan de leerling dan vervolgens op reflecteren.
De meeste leerlingen met dyslexie lezen niet sneller en accurater met een groter beeldscherm. Sterker, sommigen hebben juist baat bij een kleiner beeldscherm. Het verbeteren van het lezen zit vooral in extra ruimte tussen de letters. Bij bijvoorbeeld een e-reader zijn vaak slechts enkele woorden op een regel zichtbaar, net als bij een krantenkolom. Dit leidt leerlingen minder af. Dit voordeel kan mogelijk ook bereikt worden door een beeldscherm in de portretstand te zetten of door kortere regels op het scherm in te stellen.
De vraag of 8-jarige leerlingen die Nederlands als tweede taal leren mondeling betere grammaticale zinnen formuleren als ze meer luisteren/lezen in die taal, is niet eenduidig te beantwoorden. Wat daarbij een rol speelt is de verwantschap tussen talen, de leeftijd waarop leerlingen zijn begonnen met het leren van Nederlands en hoelang ze aan die taal zijn blootgesteld. De (grammaticale) ontwikkeling in de tweede taal gaat vooruit door taalproductie (spreken), tweezijdige interactie en door expliciete grammatica-instructie, waarbij leraren goed moeten afstemmen op de capaciteiten van het kind.
Taalgericht vakonderwijs bevordert de taalvaardigheid van leerlingen. Deze inhoudsgerichte benadering is effectief wanneer de docent taal en inhoud met elkaar verbindt. Verder helpt het hoge verwachtingen te hebben van leerlingprestaties en feedback te geven op het taalgebruik. Daarnaast zijn leerlingen gebaat bij interactie en samenwerking om hun taalvaardigheid te oefenen. Om taalgericht vakonderwijs op school in te voeren, is een overkoepelend en breed gedragen taalbeleid raadzaam. Daarvoor is samenwerking tussen taal- en vakdocenten nodig en professionalisering van vakdocenten.
Geactualiseerd: 28 december 2023
Anderstalige volwassenen leren een tweede taal beter als zij zowel binnen als buiten de les actief zijn met die taal. Om de motivatie voor het leren buiten de les te versterken is het belangrijk dat docenten inspelen op de interesses en ervaringen van hun cursisten. Daarnaast moet de lesstof goed aansluiten op realistische situaties. Docenten kunnen hen ook stimuleren door te zorgen voor een positieve leerervaring en hen wijzen op plekken buiten de les (zoals een taalcafé) waar ze kunnen oefenen.
Interactie over boeken stimuleert de literaire leesvaardigheid van leerlingen in het basisonderwijs. Het kan dan gaan om interactief voorlezen, leescirkels en boekgesprekken. Wanneer leerkrachten hun leerlingen betrekken bij en laten deelnemen aan gesprekken over boeken, verhoogt dat een actieve leerhouding en de motivatie. Interactie over boeken heeft ook positieve effecten op begrijpend lezen en literaire competentie.
Geactualiseerd: 10 januari 2024
Digitale vaardigheden en taalvaardigheden hangen met elkaar samen. Een gecombineerd onderwijsaanbod in taallessen aan laagopgeleide volwassenen is goed mogelijk. Dat aanbod moet dan wel aansluiten bij de individuele behoeften van de deelnemers en bij de inhoud van het taaltraject. Vooral een blended leeromgeving met ondersteuning van een docent als expert en mentor kan er voor zorgen dat elke deelnemer het gewenste leerresultaat bereikt.
Het is aannemelijk dat keuzevrijheid en samenwerking effectieve elementen zijn in een training gericht op executieve functies van leerlingen van twaalf tot zestien jaar. Er is echter weinig tot geen direct bewijs voor. Een training van keuzevrijheid en ruimte voor samenwerking kan mogelijk bijdragen aan intrinsieke motivatie en welbevinden van leerlingen. Er bestaat een verband tussen deze laatste factoren en executieve functies. Leraren die autonomie van leerlingen ondersteunen, hebben leerlingen met sterkere executieve functies. Of het gaat om een oorzakelijk verband is niet bekend. Dat is wel duidelijk bij peer mentoring. De mentorleerling kan direct bijdragen aan het toepassen van strategieën voor executieve functies door de leerling die hij begeleidt.
Geactualiseerd: 10 januari 2024
Om de spreekvaardigheid van volwassen NT2-leerders te meten, is een brede toetsinhoud nodig, die aansluit bij concrete taalsituaties. Mogelijke toetsvormen zijn de kandidaat-examinator toets, de toets in tweetallen en de groepstoets. De laatste twee lijken iets geschikter te zijn voor het toetsen van mondelinge bekwaamheid, omdat er meer ruimte is voor interactie. Getrainde beoordelaars moeten die toetsen afnemen.