Scholen kunnen verzuim en voortijdig schoolverlaten tegengaan door te investeren in een positief leerklimaat en een goede zorgstructuur. Daarbij moet het netwerk van de student worden betrokken. Belangrijk is dat de registratie van verzuim en uitval op orde is, en dat de school een consequent verzuimbeleid uitvoert. Een integrale aanpak werkt beter dan een aanpak gericht op een enkele risicofactor.
Doorstromers van havo naar vwo (‘stapelaars’) ervaren diverse belemmeringen. Zo zijn de exameneisen voor havo en vwo verschillend. Ook stelt het vwo toelatingseisen waaraan een deel van de leerlingen niet kan voldoen. En de school kan te weinig begeleiding bieden, vooraf, tijdens en na de overstap. De meerderheid van de doorstromende havisten behaalt binnen twee jaar het vwo-diploma. Het studiesucces in het wetenschappelijk onderwijs verschilt niet tussen de stapelaars en de niet-stapelaars met een vwo-diploma.
Kortere lesuren, en daarmee een vermindering van de totale instructietijd, zullen leiden tot een daling in leerprestaties voor leerlingen in havo/vwo. Het staat dus buiten kijf dat dan compenserende maatregelen nodig zijn. Er is onvoldoende informatie over welke interventies daarvoor afdoende zijn. Wel is duidelijk dat docenten de vrijgekomen tijd zouden moeten besteden aan het verbeteren van hun competenties om leerprestaties te bevorderen.
Meisjes die meisjesonderwijs volgen denken positiever over bèta/techniekvakken en presteren vaak beter op deze vakken. Dit heeft echter te maken met de kenmerken van de meisjes zelf. Het effect van meisjesonderwijs in vergelijking met gemengd onderwijs is verwaarloosbaar. Of meisjesklassen helpen om meer meisjes in techniekonderwijs te laten instromen is nauwelijks onderzocht. Naar het verminderen van uitval van meisjes in techniekopleidingen is geen onderzoek beschikbaar: de groep meisjes is te klein is om langere tijd te volgen.
Onderwijstijdverlenging via verlengde schooldagen heeft een neutraal tot zwak positief effect op de leerprestaties (taal en rekenen) van basisschoolleerlingen. Vooral leerlingen op achterstandsscholen lijken te profiteren van deelname. Wat het optimaal aantal uren is voor de verlenging, is niet bekend. Meer uren leiden tot betere prestaties, maar waar het omslagpunt ligt, is onduidelijk. Programma’s gericht op niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen dragen positief bij aan het zelfbeeld van leerlingen en zorgen voor minder probleemgedrag. Daarnaast hebben leerlingen een betere band met school, minder drugsgebruik en positievere interacties met anderen.
Geactualiseerd: oktober 2024
Een soepele overgang van voorschool naar basisschool kan een positief effect hebben op de aanpassing van kinderen aan de nieuwe situatie. Verondersteld wordt dat een goede doorgaande lijn een positieve invloed heeft op de schoolprestaties, maar dit is vooralsnog niet bewezen. Verondersteld wordt dat ouderbetrokkenheid, samenwerking tussen professionals rond de inhoud en de ontwikkeling van kinderen volgen, van belang zijn.
Voor mbo-instellingen is het vooral inhoudelijk een uitdaging om een versneld programma aan te bieden. Er zijn verschillende aspecten waarmee rekening moet worden gehouden: selectie van studenten, opbouw van de opleiding en herziening van het lesprogramma. Ook moet er worden nagedacht over de onderwijsactiviteiten en het toetsprogramma, en de vaardigheden van docenten.
De cognitieve capaciteiten van leerlingen voorspellen schoolsucces het beste. Daarnaast zijn leerlingkenmerken als metacognitieve vaardigheden, ontwikkelingsfase en leeftijd van invloed op hun schoolloopbaan. Wat ouders hun kinderen meegeven en wat ze doen ter ondersteuning speelt ook een rol bij schoolsucces. Er is echter nog veel onbekend over de precieze invloed van elk van deze factoren. Omdat de factoren samenhangen met elkaar en met cognitie is de invloed van iedere factor op zichzelf moeilijk te bepalen.
Een disharmonisch intelligentieprofiel bij leerlingen – waarbij verbaal IQ en performaal IQ sterk uiteen lopen - is geen voorspeller of indicator voor probleemgedrag, psychosociale problemen of neurologische problemen. Zo’n profiel voorspelt evenmin leerproblemen of taalachterstanden. Daarvoor is het verbale IQ een betere voorspeller. Of het aantal vmbo-leerlingen met een disharmonisch intelligentieprofiel groeit of afneemt is niet bekend. Wel is duidelijk dat vmbo’ers veel minder lezen dan havo/vwo’ers. Het niveau van tekstbegrip van schoolboeken ligt in het vmbo lager dan in havo/vwo.
Van mentoren wordt verwacht dat zij signalen van dreigende uitval onder studenten herkennen, studenten ondersteunen bij het ontwikkelen van een loopbaanperspectief en bij het aanleren van studievaardigheden. Mentoren bewerkstelligen een goed en veilig klimaat op school en in de klas. Dan ontstaat er ook binding en kunnen studenten in dialoog met betrokkenen reflecteren op hun loopbaan. Zo nodig kunnen mentoren ook externe zorg inschakelen.