Leervoorkeuren of leerstijlen van leerlingen en studenten die worden gerelateerd aan verbale of visuele informatieverwerking, hebben weinig tot niets te maken met hun ruimtelijke of verbale vaardigheden. De zogenoemde beelddenkers maken verbale opdrachten even goed als de woorddenkers en andersom. Op grond hiervan is niet te verwachten dat het studiesucces van beelddenkers toeneemt met minder talige opdrachten.
Leerlingen die gedurende hun basisschoolperiode veel tijd besteden aan het lezen, ontwikkelen zich tot goede lezers. Leerlingen die weinig lezen, blijven daarin achter. Voor het bevorderen van voortgezette technische leesvaardigheid - vlot en vloeiend lezen met begrip – zijn hardop lezen en stillezen effectieve aanpakken. Het delen van leeservaringen met medeleerlingen en begeleiding door de leerkracht zijn bij deze leesactiviteiten voorwaarden voor succes.
Verschillende partijen in het onderwijs nemen maatregelen om het lerarentekort in het po en vo aan te pakken. Vaak is echter niet hard te maken of deze maatregelen ook echt werken. Dat komt onder andere doordat het niet eenvoudig is om effecten aan te tonen. In het algemeen geldt dat maatregelen het meest effectief zijn als ze onderdeel zijn van een bredere strategie en niet op zichzelf staan. Financiële prikkels kunnen helpen, hoewel onderzoek een grote variatie laat zien in de effectiviteit van dit soort maatregelen. Ook klassenvergroting kan bijdragen aan terugdringen van het lerarentekort. Maar dit brengt het risico met zich mee dat het negatief uitpakt voor de leerprestaties van leerlingen en het werkplezier van leraren.
Onderwijs aan de hand van beroepscontexten draagt vermoedelijk bij aan de ontwikkeling van beroepsbeelden bij leerlingen in het vmbo. Vooral als leerlingen zelf actief daaraan deelnemen, lijkt dat het geval. Dit geldt voor alle vakken op de verschillende niveaus in het voortgezet onderwijs. Het meeste onderzoek naar de rol van beroepscontexten hierin is echter kleinschalig van aard. Ze zijn ook veelal uitgevoerd buiten schooltijd, zoals zomerkampen en naschoolse programma’s.
Ruim zestig procent van de leerkrachten in het basisonderwijs koppelt de invoering van passend onderwijs (in 2014) aan een hogere werkdruk. Die werkdruk komt volgens hen vooral door een toename in de klas van leerlingen met gedragsproblemen. Leerkrachten vinden gedragsproblemen het moeilijkst om mee om te gaan, en dat speelt mee in de beleving. Het is niet bekend hoeveel leerlingen in het basisonderwijs gedragsproblemen vertonen; geen enkele instantie houdt dat bij. Of er sprake is van een toename sinds 2010 is dus niet vast te stellen.
Het faciliteren van zelfsturing door leraren in de ontwikkeling van een beroepsorganisatie lijkt het veelbelovendst. Dit geldt vooral als die beroepsorganisatie een professionele oriëntatie centraal stelt, zoals bij de ontwikkeling van een professionele standaard. Belangrijk is draagvlak onder de leden te creëren en de tijd te nemen voor een brede bespreking van voorstellen.
Vrij snel starten met samen onderzoek doen, stimuleert de ontwikkeling van een onderzoekende houding bij studenten. Een voorwaarde is wel dat zij eerst de bedoelingen van hun onderwijs en hun eigen rol daarbinnen verkend hebben. Verder moet de onderzoeksopdracht aansluiten bij de beroepspraktijk en beknopt zijn. De docent vervult een voorbeeldrol en geeft ‘een onderzoekende houding’ expliciet aandacht in zijn colleges. Er is geen bewijs gevonden dat het zin heeft studenten eerst een theoretische basis te laten verwerven.
Bewegen in de klas heeft positieve effecten op aandacht en cognitie. Een kwartier matig tot intensief bewegen lijkt de gunstigste invloed te hebben. De sterkste effecten zijn gevonden voor fysieke activiteit die tevens cognitief uitdagend is. Het is echter onbekend of deze effecten ook bij adolescenten optreden. Wel is bekend dat bewegen op zich een positieve uitwerking heeft op aandacht, impulsbeheersing en taakgericht gedrag. Dat komt vermoedelijk door veranderingen in de hersenen, zoals een verbeterde doorbloeding en verhoogde hormoonniveaus.