Een portfolio is een (digitale) map met een overzicht van persoonlijke competenties ondersteund met bewijzen op basis van een bepaalde standaard. De portfoliomethodiek bestaat uit een formatieve en een summatieve toetsing. Summatieve toetsing richt zich op beoordeling van de leerprestaties, terwijl formatieve toetsing informatie oplevert over de mate van beheersing van de leerstof. Met die informatie kan de docent zijn lesgeven aanpassen en het leerproces van de deelnemer bijsturen.
Feedback en zelfassessment
Toetsing op basis van een portfoliomethodiek krijgt pas gestalte als er aandacht is voor de feedback van de supervisor of docent. De kwaliteit van de feedback is mede afhankelijk van samenwerking tussen de deelnemers, sociale interactie en sturing door een persoonlijke mentor. Daarnaast – en dat lijkt niet altijd eenvoudig – moet formatieve toetsing uiteindelijk leiden tot een beoordeling van de leerprestaties. Daarom is de kwaliteit van de feedback tijdens de individuele assessmentmomenten essentieel. Als deelnemers hun verkregen feedback tijdens hun opdracht strategisch gebruiken, blijven ze langer gemotiveerd en zijn ze ook het meest zeker.
Verder is een goede vorm van zelfassessment noodzakelijk. Daarvoor is het nodig dat de supervisor de deelnemers begeleidt bij het voorbereiden, het up-to-date houden en het voltooien van hun persoonlijke leerplannen. De deelnemers kiezen, ook weer begeleid, een zelfassessment dat overeenkomt met hun educatieve plan en praktisch profiel. De vragen vormen een integraal onderdeel van het zelfassessment en ze lokken een actieve houding en zelfbeoordeling uit.
Het vaststellen van de cesuur
Voor welke toetsing de school of de docent ook kiest, cruciaal is het bepalen van een cesuur. De cesuur geeft de grens aan tussen een onvoldoende en voldoende op een toets.
Om de cesuur vast te stellen kan de school werken met verschillende methodes. Een daarvan is de kennispercentage-methode; de school stelt vast over welke kennis de deelnemer moet beschikken. Het is ook mogelijk om een panel van deskundigen de cesuur vast te laten stellen. De cesuurmethode moet in elk geval een realistische uitkomst opleveren, geloofwaardig zijn en gebaseerd op onderzoek. De betrokkenen moeten het eens zijn over de te hanteren methode en voor eenieder te begrijpen zijn.
Bij praktijkexamens maakt het mbo ook wel gebruik van de indeling ‘onvoldoende, voldoende, goed’. Bijvoorbeeld: voldoende (voor alle werkprocessen een voldoende) of goed (voor minimaal 75 procent van de werkprocessen een goed en voor de overige werkprocessen een voldoende). Een ander voorbeeld, met competenties en kerntaken: de school bepaalt dat de student per kerntaak 75 procent van de werkprocessen moet behalen voor een voldoende, en alle werkprocessen voor een goed. Als alle competenties en kerntaken voldoende zijn, is de beroepsproeve behaald. Het is dus niet nodig om voor een bepaald taal- en rekenniveau de cesuur op honderd procent te leggen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Maurice de Greef (kennismakelaar Kennisrotonde). Hij heeft hiertoe de volgende expert geconsulteerd: Harry Molkenboer (Bureau voor Toetsen & Beoordelen).