Om afvalgedrag te beïnvloeden baseren onderzoekers zich op theorieën en modellen voor gedragsverandering in het algemeen. Een veel gebruikte theorie is die van gepland gedrag: iemands gedrag komt voort uit de intentie om dat gedrag te vertonen. Deze is te beïnvloeden door houding (wat vind ik ervan?), subjectieve norm (wat denk je dat anderen vinden?) en het idee of je het gedrag kunt laten zien. Maar, een intentie leidt niet altijd tot nieuw gedrag. De theorie voorspelt bewust gedrag; het betrekt geen gewoontegedrag en onbewuste invloeden (vanuit de omgeving).
Algemene interventies om nieuw gedrag te stimuleren
Een mogelijke interventie voor het veranderen van gedrag is het aanwakkeren van zogenoemde cognitieve dissonantie. Door leerlingen te confronteren met een mismatch tussen hun overtuiging (hier: goed willen zijn voor natuur en milieu) en hun gedrag (afval op de grond gooien), ontstaat een onaangename spanning. Als leerlingen daar vanaf willen, kunnen ze hun gedrag aanpassen. Andere algemene interventies zijn doelen stellen, voordoen en aanwijzingen geven.
Ook hier zijn kanttekeningen te plaatsen. Afvalgedrag vertonen op school bijvoorbeeld, leidt niet automatisch tot vergelijkbaar gedrag in andere situaties. Effecten van gedragsinterventies zijn afhankelijk van veel factoren. En interventies richten zich op verschillende deelgedragingen, zoals afval weggooien, scheiden, hergebruiken of voorkomen. Er is niet één alles omvattende interventie.
Interventies in het onderwijs gericht op duurzaam afvalgedrag
Een lessenreeks over duurzaam afvalgedrag zal zich niet moeten beperken tot kennis, bewustzijn en houding. Even belangrijk voor nieuw aan te leren gedrag lijken empowerment, sociale normen en plezier. Verder kan aandacht voor ondersteuning van keuzeprocessen van leerlingen helpen om in specifieke situaties tot het gewenste gedrag te komen. Weten is nog geen doen; de kans op doen is waarschijnlijk groter als denken verbonden is met voelen (affectie). Het vóórleven van waarden – door leraren of ouders – kan daarbij helpen.
Het leerproces is veelomvattend; het bestaat uit begrijpen en verdiepen, activeren van persoonlijke waarden en zelfsturing, stelling nemen en experimenteren. Lessen en lesmateriaal voor milieuvriendelijk gedrag, gericht op waardenontwikkeling en gedragsverandering kunnen daar het best op aansluiten. Leraren doen er goed aan om inspirerende voorbeelden te tonen. Leerlingen zelf actie laten ondernemen en experimenteren, is eveneens kansrijk. Zeker als ze werken vanuit persoonlijke zorgen, vragen, wensen en leerdoelen.
Programma’s die leerlingen betrekken bij het thema
Bestaande programma’s als Samenwerken aan Bèta-Burgerschap en Socioscientific issues betrekken leerlingen bij het oplossen van complexe maatschappelijke vraagstukken. Leerlingen krijgen eerst kennis en vaardigheden aangeboden, zodat zij volwaardig over het vraagstuk kunnen meedenken, een mening kunnen vormen en kunnen meebeslissen. Deze werkwijze is gericht op het vergroten van hun bewustwording en betrokkenheid. Of het afvalgedrag van leerlingen daarmee ook verandert, is onbekend.
Het bevorderen van duurzaam (afval)gedrag is complex
Gedragsverandering is een complex proces. Het duurzaam aanpassen van afvalgedrag dus ook. Zoals eerder vermeld omvat afvalgedrag meerdere deelgedragingen en speelt een groot aantal factoren een rol. Voor duurzame gedragsveranderingen zijn ingrijpende leerprocessen en routineveranderingen van alle betrokkenen nodig. Hoewel lessen of programma’s op school kunnen bijdragen aan het bevorderen van afvalgedrag van leerlingen spelen veel andere factoren mee. En veel van die factoren vallen buiten de invloedsfeer van scholen, terwijl ze wel impact kunnen hebben. Dit alles maakt het lastig om effecten op eventueel geconstateerde gedragsveranderingen te kunnen toeschrijven aan interventies van de school.
Meer weten?
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank Christa Teurlings (kennismakelaar Kennisrotonde). Zij heeft hiertoe Veerle Graauwmans (gedragspsycholoog) geconsulteerd.