De cultuur van een organisatie bestaat uit het geheel van waarden, normen, verwachtingen en gedragsregels van de leden van die organisatie. Bij een school zijn die leden het personeel en de leerlingen. Er is niet altijd sprake van een homogene schoolcultuur; vaak hebben verschillende afdelingen hun eigen subcultuur.
Integratie moet goed worden voorbereid
Integratie van organisatieculturen duurt doorgaans een aantal jaar. Het is daarom van belang dat leidinggevenden de integratie goed voorbereiden, geleidelijk te werk gaan en een lange adem hebben. Dit is extra belangrijk wanneer een fusie is ingegeven door financiële en strategische overwegingen, en culturen van de partners niet vanzelfsprekend bij elkaar passen.
Recht doen aan cultuurverschillen uit het verleden
Leidinggevenden hebben er baat bij inzicht te krijgen in de culturen die samenkomen. Ze moeten er bewust mee aan het werk gaan, met focus op wat de nieuwe organisatiedoelen van medewerkers vragen, zonder voorbij te gaan aan de historie. Zo kunnen de schoolleiders van de ‘oude’ scholen en een transitieteam zich vooraf verdiepen in de culturen van de fusiepartners. Ze kunnen dan in de nieuwe organisatie aanvankelijk ruimte inbouwen voor cultuurverschillen door bijvoorbeeld functionele tradities uit de partnerscholen te behouden.
Werken aan een nieuwe cultuur en een nieuw onderwijsconcept
Daarnaast kunnen de schoolleiders en het transitieteam aan een nieuwe schoolcultuur werken door nieuwe gezamenlijke tradities en een nieuw onderwijsconcept te introduceren. Doordat teamleden samen met dat onderwijsconcept aan de slag gaan, hebben ze gelegenheid om geleidelijk hun overeenkomsten en verschillen te ervaren en te bespreken. Dit proces vereist een goede en open communicatie: frequent en helder overleg, waarbij de schoolleiding ook veel luistert naar de teamleden.
In Nederland is onderzoek naar vorming van een nieuwe schoolcultuur schaars. Er is wel specifieke kennis over samenwerkingsscholen; scholen die voortkomen uit een fusie van openbaar en bijzonder onderwijs. Deze scholen komen vooral tot stand in plattelandsgebieden met afnemende bevolkings- en leerlingaantallen. Financiële en strategische overwegingen staan daarmee vaak voorop. Ook valt er doorgaans weinig te kiezen uit mogelijke fusiepartners. Tijdige aandacht voor cultuurverschillen en -integratie is in zo’n situatie extra van belang.
Het onderzoek naar samenwerkingsscholen richt zich vooral op de levensbeschouwelijke identiteit van de nieuwe school, minder op de cultuur in brede zin. Dialoog en ontmoeting rond levensbeschouwelijke thema’s dragen bij aan de ontwikkeling van een nieuwe identiteit van de schoolgemeenschap. Aandachtspunten daarbij zijn het toelatings- en het benoemingsbeleid. Doorgaans kiezen samenwerkingsscholen voor een open toelatingsbeleid voor leerlingen ongeacht hun achtergrond. Van onderwijsmedewerkers wordt gevraagd te erkennen dat de school een pluriforme visie heeft. Ze stemmen in met die visie en geven er actief vorm aan.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Niek van den Berg (kennismakelaar Kennisrotonde). Zij heeft hiertoe Erik Renkema (expert identiteit in samenwerkingsscholen) en Wouter Smit (expert organisatiecultuur) geconsulteerd.