Dit is de tekst: Dit antwoord is geschreven voor 2020. Benieuwd naar de nieuwste inzichten? Stel de vraag opnieuw via Stel je vraag.
Lean kent zijn oorsprong in de Japanse auto-industrie (Toyota) van de jaren ’80. Toyota ging over van productie voor de klant (aanbodgericht) naar produceren naar wens van de klant (vraaggericht).
Het lean-gedachtegoed kent een vijftal kernprincipes:
- respect voor de mens, ook wel ‘klantwaarde’ genoemd
- waarde voor de klant, ook wel ‘waardestroom’ genoemd
- betrokkenheid van medewerkers en vermijden van verspilling, ook wel ‘flow’ genoemd
- een vraaggestuurde benadering, ook wel ‘pull’ genoemd
- het streven naar continue verbetering, ook wel ‘perfectie’ genoemd
Lean is een holistische manier van denken. Het is niet enkel het toepassen van een of meer lean-principes of lean-instrumenten. Het draait om een gehele manier van denken en doen die maakt dat een organisatie lean te noemen is. Voor het begrip ‘eigenaarschap’ verwijzen we naar een eerder antwoord van de Kennisrotonde.
Lean-principes in het (voortgezet) onderwijs
Het lijkt erop dat lean-kennis te gebruiken is in het onderwijs. Maar de bestaande instrumenten en uitvoering kunnen volgens experts niet 1-op-1 worden overgenomen. Zo is het in het onderwijs bijvoorbeeld veel lastiger na te gaan waar verspilling zit omdat er meerdere processen tegelijk plaatsvinden, en niet opeenvolgend zoals in de auto-industrie.
Bij de vertaling van ‘lean’ naar het onderwijs is het belangrijk wie er ‘als klant’ wordt gezien: de lerende leerling en/of de lerende leraar. Wanneer dit duidelijk is, kan worden bekeken hoe voor deze klant de waarde kan worden vergroot.
Lean in het primair onderwijs
De inzet van lean-principes lijkt veelbelovend te zijn voor het primair onderwijs. Bovendien is volgens expert Riezebos de manier waarop het primair onderwijs in Nederland is ingericht, automatisch al meer lean dan het voortgezet onderwijs. Zo is de relatie leerkracht-leerling volgens hem bijvoorbeeld sterker omdat leerlingen hele dagen les krijgen van dezelfde leerkracht. Hierdoor hebben leerkrachten in beeld wat de krachten en beperkingen van leerlingen zijn. Dit zou de 'flow' in het onderwijs kunnen vergroten (dit sluit aan bij de lean-principes ‘klantwaarde’ en ‘flow’).
Daarnaast kan volgens Riezbos de tijd die binnen het basisonderwijs aan een vakgebied wordt besteed, flexibel worden ingezet. Daardoor kan per vakgebied meer variatie in leertempo worden geboden om leerlingen zo optimaal mogelijk te bedienen (‘flow’ en ‘pull’). Bovendien kunnen leerlingen vaak zelf aangeven of ze ondersteuning of extra uitleg behoeven. Daarbij kunnen ze gebruikmaken van visuele ondersteuning zoals zandlopers, koptelefoons of hulpblokjes. Dankzij deze adaptieve inzet van instructie en hulpmiddelen krijgt de leerkracht inzicht in de behoeften van de leerling (‘waardestroom’ en ‘flow’).
Binnen het lean-gedachtegoed is het zo, dat de klant betrokken moet worden in het proces; heb je goed afgestemd met de klant wat er nodig is om hem/haar optimaal te kunnen bedienen? Door de leerling (‘de klant’) te betrekken bij het proces zouden de lean-principes goed kunnen bijdragen aan het versterken van het eigenaarschap bij leerlingen. Nader onderzoek is nodig om uit te wijzen of dit zo effectief is als verondersteld.
Meer weten?
Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.
Andere relevante bronnen:
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Marit Kruiskamp (antwoordspecialist) en Christa Teurlings (kennismakelaar). Zij hebben hiertoe prof. dr. J. Riezebos (Hoogleraar Onderwijsinnovatie aan de Rijksuniversiteit Groningen), prof. dr. I.F.A. Vis (Dean of Industry en hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen) en dr. J. Marino (superintendent van Amerikaans schooldistrict Dunlap en internationaal consultant voor schoolorganisaties die 'continuous improvement' in hun onderwijs implementeren) geconsulteerd.