De term eigenaarschap van leerlingen is sterk verwant aan het begrip zelfregulatie. Bij beide gaat het om de verantwoordelijkheid die leerlingen nemen in het leerproces. Waar eigenaarschap meer verwijst naar de houding over leren, gaat het bij zelfregulatie meer om (de toepassing van) bepaalde vaardigheden.
Zelfregulatie vraagt om het aanleren van effectieve leerstrategieën
Het leggen van meer eigenaarschap bij leerlingen of een groter beroep doen op hun zelfregulatie leidt niet zomaar tot betere leerresultaten. Zonder een goede voorbereiding blijven voor een deel van de leerlingen de prestaties op hetzelfde niveau of gaan zelfs achteruit vergeleken met leerlingen die onderwijs krijgen met directe instructie. Zelfregulatie veronderstelt namelijk toepassing van de juiste leerstrategieën door de leerling. Die leerstrategieën zijn daarbij deels vakspecifiek. Een deel van de leerlingen zal deze strategieën kennen en kunnen toepassen, maar een ander deel niet. Een groter beroep op zelfregulatie vraagt dus ook om het aanleren van effectieve leerstrategieën.
Er zijn drie soorten leerstrategieën te onderscheiden: cognitieve, metacognitieve en motivationele. Onder cognitieve strategieën vallen vaardigheden als memoriseren, relateren, kritisch verwerken, analyseren en toepassen. Voorbeelden van metacognitieve vaardigheden zijn oriënteren, plannen, proces bewaken, selecteren en reflecteren. Onder meer motiveren, concentreren, zichzelf beoordelen, waarderen en omgaan met emoties behoren tot de motivationele vaardigheden.
Het gebruik van metacognitieve strategieën hangt positief samen met leerprestaties van 15-jarigen voor lezen, rekenen/wiskunde en natuur- en scheikunde. Die positieve samenhang ontbreekt bij het gebruik van cognitieve strategieën. Verder blijkt er een duidelijke relatie te zijn tussen het gebruik van metacognitieve vaardigheden en sociaal-economische achtergrond. Leerlingen uit hogere milieus zetten vaker metacognitieve vaardigheden in dan leerlingen uit lagere milieus.
Omdat de sociaal-economische situatie gerelateerd is aan het onderwijsniveau, zijn havo- en vwo-leerlingen over het algemeen beter in staat tot zelfregulatie dan vmbo-leerlingen. Leerlingen op het vmbo die wel metacognitief vaardig zijn, behalen betere prestaties.
Het is aannemelijk dat het aanleren van metacognitieve leerstrategieën een route is naar betere prestaties, ook voor leerlingen uit lagere milieus of met lager opgeleide ouders. Leraren kunnen daartoe leerlingen metacognitieve leerstrategieën aanleren door bijvoorbeeld expliciete instructie en modelleren. Het is echter niet duidelijk of dit eenvoudiger is voor leerlingen uit lagere of uit hogere milieus. Leerlingen uit hogere milieus en met hoger opgeleide ouders nemen in de regel makkelijker theoretische kennis tot zich; makkelijker dan leerlingen uit lagere milieus of met lager opgeleide ouders. Dat neemt niet weg dat programma’s gericht op het ontwikkelen van metacognitieve vaardigheden ook succesvol kunnen zijn op scholen met veel achterstandsleerlingen.
Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Sjerp van der Ploeg (kennismakelaar Kennisrotonde).