Bij zinsontleding gaat het om herkennen en benoemen van elementen uit een zin: onderwerp, lijdend voorwerp, persoonsvorm, aanwijzend voornaamwoord, e.d. Veel scholen voor voortgezet onderwijs voelen zich genoodzaakt om hun leerlingen in de onderbouw uitvoerig zinsontleding en spelling aan te bieden, omdat hogescholen dat vaak bij taaltoetsen vragen. Onderzoek laat echter nauwelijks effecten zien van traditionele zinsontleding op vaardigheden als begrijpend lezen, spelling of schrijven.
Lezen en spellen hebben gedeeltelijk dezelfde cognitieve basis. De relatie tussen beide vaardigheden heeft vooral betrekking op het klankbewustzijn, dat in de vroege ontwikkeling van lees- en spellingvaardigheid een belangrijke rol speelt. Echter, de relatie tussen lezen en spellen is asymmetrisch. Waar het bij lezen om herkenning van woorden gaat, gaat het bij spelling om het produceren van woorden. Naarmate de lees- en spellingervaring toeneemt, worden de specifieke lees- en spellingprocessen dan ook steeds belangrijker. Zo maakt letter-voor letter-decoderen bij lezen plaats voor automatische woordherkenning.