Een algemeen keuzemotief voor leerlingen is of een onderwijsaanbod bijdraagt aan hun schoolloopbaan. Verder vinden ze dat een aanbod moet aansluiten bij hun capaciteiten en interesses. Over motieven van leerlingen specifiek voor het kunst- en cultuuraanbod in de onderbouw van het voortgezet onderwijs is weinig bekend. Net als bij andere schoolloopbaankeuzes is het belangrijk dat leraren een realistisch beroepsbeeld schetsen en aangeven wat de toegevoegde waarde van het kunst- en cultuuraanbod is.
Ruim zestig procent van de leerkrachten in het basisonderwijs koppelt de invoering van passend onderwijs (in 2014) aan een hogere werkdruk. Die werkdruk komt volgens hen vooral door een toename in de klas van leerlingen met gedragsproblemen. Leerkrachten vinden gedragsproblemen het moeilijkst om mee om te gaan, en dat speelt mee in de beleving. Het is niet bekend hoeveel leerlingen in het basisonderwijs gedragsproblemen vertonen; geen enkele instantie houdt dat bij. Of er sprake is van een toename sinds 2010 is dus niet vast te stellen.
De relatie tussen mediagebruik door kinderen thuis en executieve functies is niet eenduidig, maar er zijn wel aanwijzingen dat veelvuldig en vroegtijdig mediagebruik ten koste gaat van aandacht en concentratie. Het grootste probleem lijkt het niet-interactieve karakter van veel mediagebruik. Dat is ongunstig voor de hersenontwikkeling en daarmee voor de ontwikkeling van executieve functies. Interactief gebruik van digitale media kan deze negatieve gevolgen tegengaan.
Een algoritmische aanpak (zoals ‘t kofschip) om leerlingen werkwoordspelling aan te leren, is effectief maar niet voldoende. Expliciete aandacht voor de principes van de spelling en voor de soms intuïtieve aanpak van leerlingen om tot een juiste schrijfwijze te komen, lijkt noodzakelijk. Bovendien is het zinvol om grammatica- en spellingonderwijs te integreren.
Met de juiste begeleiding kan werken met een weektaak de metacognitieve vaardigheden van leerlingen versterken. Wanneer leerlingen in staat zijn hun leerproces te sturen en de beschikbare tijd zo nuttig mogelijk te besteden, komt dit hun prestaties ten goede. Met een weektaak kunnen leerlingen zelfstandig en systematisch werken, en hun taken zelf plannen, prioriteren, controleren en evalueren. Ondersteuning van de leerkracht is hierbij cruciaal.
Vrij snel starten met samen onderzoek doen, stimuleert de ontwikkeling van een onderzoekende houding bij studenten. Een voorwaarde is wel dat zij eerst de bedoelingen van hun onderwijs en hun eigen rol daarbinnen verkend hebben. Verder moet de onderzoeksopdracht aansluiten bij de beroepspraktijk en beknopt zijn. De docent vervult een voorbeeldrol en geeft ‘een onderzoekende houding’ expliciet aandacht in zijn colleges. Er is geen bewijs gevonden dat het zin heeft studenten eerst een theoretische basis te laten verwerven.
In de kleutertijd gaan kinderen steeds meer samenspelen. Hun spel wordt ingewikkelder en associatiever, en hun invoelingsvermogen groeit. Leerkrachten kunnen spel ondersteunen door initiatief, zelfregulatie en interactie tussen kinderen te stimuleren. Leerkrachten geven ruimte aan fantasie en aan sociaal leren in groepen. Als kleuters niet vanzelfsprekend tot het te verwachten spel komen, zetten leerkrachten vaak een op interactie gerichte didactiek in. Een aanpak van verkennen, verbinden en verrijken kan stimulerend werken voor de spelontwikkeling.
Bewegen in de klas heeft positieve effecten op aandacht en cognitie. Een kwartier matig tot intensief bewegen lijkt de gunstigste invloed te hebben. De sterkste effecten zijn gevonden voor fysieke activiteit die tevens cognitief uitdagend is. Het is echter onbekend of deze effecten ook bij adolescenten optreden. Wel is bekend dat bewegen op zich een positieve uitwerking heeft op aandacht, impulsbeheersing en taakgericht gedrag. Dat komt vermoedelijk door veranderingen in de hersenen, zoals een verbeterde doorbloeding en verhoogde hormoonniveaus.
Op steeds meer scholen hebben leerlingen een tablet of laptop ter beschikking als hulpmiddel bij het leren. Maar leerlingen zoeken ook afleiding. Vooral bij vrij gebruik van mobiele apparaten gaan ze naar sociale media en sites voor persoonlijke doelen. Lessen waar de docent de technologie gestructureerd inzet, lijken minder bevattelijk voor afleiding. De leerlingen gebruiken de laptop of tablet tijdens de les dan iets vaker voor leertaken.
Als jongeren kennis over financiële zaken meteen in de praktijk kunnen brengen, kan financieel onderwijs bijdragen aan verstandig omgaan met geld. De invloed van onderwijs op financieel gedrag van studenten is echter minimaal en is niet blijvend. Mogelijk is financieel onderwijs te gericht op kennisoverdracht, hetgeen niet automatisch leidt tot ander gedrag. Bovendien spelen vooral sociaal-psychologische factoren een rol.