Sinds 2014 is de uitval van pabo-studenten afgenomen. In het studiejaar 2015/2016 stopte 13 procent van de voltijdstudenten voortijdig en 28 procent van de deeltijdstudenten. Het gaat vooral om mannen, studenten met een niet-westerse achtergrond en studenten met een mbo-vooropleiding. Ook onder startende leerkrachten neemt de uitval de laatste jaren af. Na 1 jaar houdt ongeveer 8 procent het voor gezien, na 3 jaar zo’n 15 procent. Redenen om te stoppen liggen op het persoonlijke vlak of hebben te maken met gezondheid. Andere redenen zijn werkdruk en stress, minder goede relaties met collega’s en leidinggevenden, en gebrek aan doorgroeimogelijkheden.
Technische leesvaardigheid en passieve woordenschat zijn, samen met begripsvaardigheden, essentiële onderdelen van het leren lezen. Die relatie is wederkerig. Zowel het aantal woorden dat een leerling kent, als wat hij weet over een woord (vorm, betekenis en gebruik) draagt bij aan het snel en accuraat leren lezen van woorden. Daarnaast kan een leerling door technisch lezen nieuwe woorden leren. En er ontstaat ruimte in het werkgeheugen van de leerling om aandacht te besteden aan de betekenis van woorden en aan tekstbegrip.
Geactualiseerd: 3 februari 2023
Verschillen in motorische ontwikkeling tussen links- en rechtshandige kinderen nemen in de loop der tijd vanzelf af of verdwijnen. Er zijn dan ook geen interventies nodig om specifiek de motorische ontwikkeling van linkshandige kleuters te bevorderen. Als het duidelijk is dat een kind linkshandig is, is het verstandig om linkshandig voor te doen en om begrip te tonen voor de moeite die het kind moet doen om de handelingen van rechtshandigen na te doen.
Vooral toetsscores op begrijpend lezen en op rekenen-wiskunde uit het leerlingvolgsysteem in het basisonderwijs zijn belangrijke voorspellers voor de onderwijsloopbaan van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Scores op spelling zijn daarvoor minder relevant, afgaand op het beperkt beschikbare onderzoek dat ernaar is gedaan. De toetsscores kunnen leraren helpen bij het opstellen van hun schooladvies aan leerlingen uit groep 8.
Het aandeel werknemers dat te maken heeft met hoge taakeisen is in het primair onderwijs hoger dan in het voortgezet onderwijs. Ook emotioneel zwaar werk en lastige taken komen in het primair onderwijs iets vaker voor. Werkenden in het primair onderwijs hebben bovendien minder mogelijkheden om zelfstandig beslissingen te nemen over de uitvoering van hun werk. Ondanks deze verschillen in werkdruk is het aandeel werknemers met burn-outklachten in het primair onderwijs lager dan in het voortgezet onderwijs. De verzuimpercentages in beide onderwijssectoren wijken niet erg van elkaar af.
Om een samenhangend beeld te vormen van een tekst leggen leerlingen verbanden binnen de tekst, en tussen de tekst en hun achtergrondkennis. Leerkrachten kunnen leerlingen hierin stimuleren door het stellen van inhoudsgerichte vragen tijdens of na het lezen. Uit onderzoek is niet duidelijk of leerlingen de tekst wel of niet eerst in zijn geheel moeten lezen. Wel is het effectief om leerlingen samen, in de vorm van rolwisselend lezen, de teksten en bijbehorende vragen te laten behandelen.
Basisschoolleerlingen die een groep overslaan hebben een leervoorsprong, maar kunnen in hun nieuwe groep – met oudere klasgenoten – een relatieve achterstand hebben. Afhankelijk van het gemak waarmee versnelde leerlingen leerstof of vaardigheden leren, hun intelligentie en de pedagogisch-didactische begeleiding door school, kunnen zij deze relatieve achterstand inlopen gedurende de basisschoolperiode. De mate waarin versnelde leerlingen relatief achterlopen ten opzichte van hun nieuwe klasgenoten en in hoeverre ze dat inhalen binnen het basisonderwijs, is niet uit onderzoek bekend.
Constructivistische rekenmethoden, zoals realistisch reken-wiskundeonderwijs, leveren geen betere resultaten op dan traditionele methoden zoals directe instructie, maar ze doen er ook niet voor onder. De rekenprestaties hangen samen met de kennis en vaardigheden van de leraar, de interactie tussen leraar en leerlingen en de aandacht en tijd voor rekenen-wiskunde. Rekenzwakke leerlingen lijken problemen te ondervinden bij relatief open didactische methoden, omdat zij meer behoefte aan structuur hebben dan betere rekenaars.
Of kleuters al kunnen reflecteren op hun eigen leerproces hangt samen met drie factoren: hun taalvaardigheid, Theory of mind en executieve vaardigheden. Als deze goed zijn ontwikkeld, vergemakkelijkt dat de zelfreflectie. Kleuters kunnen het beste onmiddellijk na een activiteit reflecteren. Verder terugkijken is voor hen moeilijk, omdat hun episodisch geheugen daarvoor onvoldoende is ontwikkeld. Als hulpmiddel kunnen leraren een jonge leerling laten kijken naar een video waarin het kind zelf een bepaalde activiteit uitvoert. Daar kan de leerling dan vervolgens op reflecteren.
Leerlingen in het basisonderwijs halen betere resultaten in taal en rekenen als ze in twee opeenvolgende jaren van dezelfde leraar les krijgen, in vergelijking met leerlingen die een andere leraar krijgen. Het gaat hier om een bescheiden maar positief effect. De oorzaak ligt waarschijnlijk in de sterkere band tussen de leraar en leerlingen. Dat draagt bij aan een effectief leerklimaat in de klas. Onderzoek naar effecten op het welbevinden van leerlingen is niet bekend.